Vissen kleiner door opwarming
De verschillende vissoorten in Europese wateren hebben de afgelopen 20 tot 30 jaar gemiddeld de helft van hun volume verloren. De totale massa van de vissen daalde met 60 procent. Dat blijkt uit onderzoek door het Duitse Leibniz-Instituut voor Zeewetenschappen (IFM-Geomar) en Cemagref, het Franse Instituut voor duurzaam beheer van water en bodem naar de vispopulaties in de Europese rivieren, de Noordzee en Baltische zee.
In “Proceedings of the National Academy of Sciences” in de VS dat de onderzoeksresultaten publiceerde erkennen de onderzoekers dat ook de overbevissing een rol speelde in deze evolutie, maar schrijven deze toch in de eerste plaats toe aan de opwarming van de aarde en de stijgende temperatuur van het zeewater. De vissen worden hierdoor immers alsmaar vroeger - en met een geringere lichaamsgrootte - rijp om zich voort te planten.
De gevolgen voor het functioneren van het hele ecosysteem en voedselketen zijn enorm. “De lichaamsgrootte van de organismen bepaalt immers wat ze kunnen eten en door wie ze worden opgegeten”, aldus Ulrich Sommer van TFM-Geomar. Martin Daufresne van Cemagref wijst erop dat kleinere vissen minder eitjes leggen en ook een gemakkelijker prooi zijn voor hun natuurlijke vijanden. Een sterke verschuiving naar kleinere soorten kan ertoe leiden dat er meer zoöplankton gegeten wordt wat op zijn beurt massale algenbloei kan veroorzaken. Bovendien slinkt de economische waarde van de visvangst wanneer vissen kleiner worden.
L.V.
Omzetting EU-milieurichtlijnen kan beter
De vlaggen van de EU-lidstaten (foto: Europese Commissie)
Ondanks het feit dat er sinds 2001 sprake is van een positieve evolutie blijkt Vlaanderen anno 2009 nog steeds geen goede leerling als het gaat om het tijdig omzetten van Europese milieurichtlijnen. Dat blijkt uit de eindverhandeling die Sara Van Dievoet aan de K.U.Leuven schreef voor het behalen van de graad van Master in De Vergelijkende en Internationale Politiek (Faculteit Sociale Wetenschappen).
Na een stijging van het aantal inbreuken op de omzetting van Europese milieurichtlijnen van 2001 (7) tot 2002 (19) deed er zich een daling voor tot 7 in 2006, waarna het aantal weer toenam tot 11 in 2009. De informatie werd geput uit rapporten van het Vlaams departement LNE en de jaartallen verwijzen naar het jaar wanneer de rapporten werden uitgebracht. De EU-Commissie kent bij inbreukprocedures enkel de nationale staat. Bij de hier vermelde inbreuken gaat het enkel om zaken waarin Vlaanderen een aandeel had.
In het in februari gepubliceerde rapport wordt melding gemaakt van 11 hangende inbreuken. Het gaat om drie ingebrekestellingen (IGS), 6 MROA’s (met reden omkleed advies) dat de Commissie uitbracht, een dagvaarding voor het Europees Hof van Justitie en een ingebrekestelling na een arrest van het Hof. De dagvaarding betreft de niet correcte omzetting van een richtlijn uit 1999 betreffende het storten van afvalstoffen. De IGS na arrest betreft eens te meer de slechte toepassing van de richtlijn inzake stedelijk atvalwater.
De belangrijkste oorzaak voor het in gebreke blijven is volgens Van Dievoet het gebrek aan coördinatie. “Het is zeer frappant dat in tegenstelling tot de Belgische standpuntbepaling er geen formele coördinatie voorzien is voor de implementatie van Europese milieurichtlijnen. Daarenboven wordt vaak bij de standpuntbepaling geen rekening gehouden met de latere implementatie”. Ze wijst op de hoop van velen dat het Belgisch EU-voorzitterschap in 2010 voor een nieuwe dynamiek zal zorgen net zoals dat ook in 2001 het geval was.
L.V.
Meer groen in de straat?
Stedenbouwkundigen en stadsplanners kunnen maar beter rekening houden met hoe en waar ze bomen planten, als ze de luchtkwaliteit in de stad willen helpen vebeteren. Het stadsmilieu blijkt er namelijk mee gebaat als in het midden van de straat, maar niet al te dicht bij elkaar bomen staan. Dat blijkt uit een studie, onlangs gepubliceerd in het International Journal of Environment and Waste Management. Onderzoekers uit Zwitserland en Duitsland onderzochten welk effect bomen hebben op de ventilatie en vervuilingsgraad langsheen straten met aan weerskanten dicht op elkaar gepakte hoogbouw. Dergelijke straatpatronen noemt men ook wel stadscanyons.
Met behulp van windtunnelonderzoek gingen de vorsers na hoe de lucht doorheen zulke stadscanyons stroomt en hoe deze luchtstroming wordt beïnvloed als er in het midden van de straat een rij bomen staat. Daarbij bestudeerden ze of er een verschil was wanneer deze bomen dicht bij elkaar, dan wel wat verder uiteen staan. Ook wilden ze weten hoe de luchtstroming in de stadscanyons wordt beïnvloed bij stilstaand, stapvoets en bewegend verkeer.
De onderzoeksresultaten suggereren dat in straten met in het midden een dichte strook bomen - wat in tal van grote Europese steden de gangbare praktijk is - de uitlaatgassen gemakkelijker blijven hangen, dan wanneer er geen bomen zouden zijn. Een dicht bladerdek zou de opwaartse stroom van polluenten tegenhouden en tegelijk ook de kleine luchtwervelingen dempen, die de luchtvervuiling van de straat wegnemen.
Dit wil echter niet zeggen dat alle bomen dan maar zo snel mogelijk gerooid moeten worden, integendeel. Het blijkt namelijk dat wanneer bomen wat verder uit elkaar staan, op een afstand van minstens hun kruin, ze net zorgen voor meer luchtwervelingen. Zo helpen de bomen de uitlaatgassen veel sneller afvoeren, dan wanneer er geen bomen zouden zijn. En dit vooral bij stapvoets of stilstaand verkeer.
Meer groen in de straat is dus prima, maar het moet wel doordacht gebeuren!
Meer info: http://www.codasc.de
Bibliografische gegevens: “Effects of trees on the dilution of vehicle exhaust emissions in urban street canyons” in Int. J. Environment and Waste Management, 2009, 4, 225-242.
Spaans onderwaterlabo gaat online
Foto: OBSEA
Een kleine vijf kilometer buiten de kust van Vilanova i la Geltrú, aan de Spaanse Middellandsezeekust, is op een diepte van 20 meter een gloednieuw onderwaterlabo in gebruik genomen. Het Uitbreidbare Zeebodem Observatorium (OBSEA) werd in maart 2009 gebouwd en stuurt nu, na ruim twee maanden van tests, in real time informatie door naar de labo’s van de Universitat Politècnica de Catalunya (UPC) en de Spaanse Nationale Onderzoeksraad (CSIC). Zo wordt het voortaan mogelijk dit stukje van de Middellandsezeebodem via het internet te bestuderen. Meer bepaald worden nauwgezet de temperatuur, het zoutgehalte en de waterdiepte gemeten. Ook wordt intensief naar achtergrondlawaai geluisterd, afkomstig van menselijke en natuurlijke lawaaibronnen. Daarnaast brengt een ip-camera onder meer de vervuiling in kaart die wordt veroorzaakt door afval en door zeetransport.
Het OBSEA is door middel van kabels van optische vezel verbonden met het vasteland. Langs deze kabels krijgt het observatorium stroom, maar hierlangs worden ook alle data doorgestuurd. Het is de bedoeling dat het OBSEA in de toekomst naar een grotere diepte verhuist en dat het station wordt uitgebreid met nieuwe wetenschappelijke modules. Belangrijk daarbij is dat het station met verschillende soorten sensoren kan worden uitgerust, al naargelang van de aard van het onderzoek dat men wil voeren. Het station wordt hierdoor zeer interessant voor de bredere wetenschappelijke en industriële gemeenschap. Het labo zal bijvoorbeeld uitermate geschikt zijn voor langetermijnobservaties of als testsite voor de ontwikkeling van nieuwe onderwatersensoren.
Het project maakt deel uit van het European Seafloor Observatory Network of ESONET.
Internationaal noodplan gevraagd
Foto:De als ‘kwetsbaar’ bestempelde Madagaskische Mantella (Mantella Madagascariensis)
Jean-Christophe ViéUit een rapport van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN) blijkt dat minstens 16.928 diersoorten wereldwijd met uitsterven bedreigd zijn. De Unie spreekt van een grote onderschatting van het werkelijke aantal dat bedreigd is omdat slechts 2,7 procent van de 1,8 miljoen bekende diersoorten onderzocht werden. Het ging om de 44.838 diersoorten die op de lijst staan van soorten die gevaar lopen.
Niet alleen de opwarming van de aarde vormt een bedreiging voor de dieren. De schade, die rechtstreeks door de mens wordt aangericht zoals vervuiling, boskap en overbevissing heeft in vele gevallen nog veel desastreuzere gevolgen. Naast een derde van de haai- en rogsoorten in de oceanen, loopt ook een derde van de amfibieën, een vierde van de zoogdieren en een achtste van de vogels risico op uitsterven.
Volgens de IUCN moet er dringend werk gemaakt worden van een internationaal noodplan. De Unie wil dat er naar het voorbeeld van de reddingsplannen voor de economische crisis iets gelijkaardig wordt uitgewerkt. “Enkel op die manier kan het aantal bedreigde diersoorten worden teruggedrongen”, aldus Jean-Christophe Vié, een van de auteurs van deze studie die om de vier jaar wordt uitgevoerd.
L.V.
KLIMOS pleit voor grootschalige bosaanplanting in Afrika

Door boeren beheerde herbebossing van akkerlanden (Foto: Chris Reij)
KLIMOS, het pas opgerichte platform Klimaat- en Ontwikkelingssamenwerking waaraan een tiental onderzoeksgroepen van de K.U.Leuven, VUB, UGent en Katholieke Hogeschool Sint-Lieven participeren, pleit ervoor op grote schaal bomen aan te planten in Afrikaanse landbouwgebieden. Landen die op dat vlak initiatieven nemen moeten hiervoor worden vergoed, zo luidt het.
KLIMOS onderzoekt hoe milieubehoud en voedselvoorziening in Afrika met elkaar te verzoenen zijn en wil onder meer een stevige kennisbasis uitbouwen over de gevolgen van de klimaatverandering voor het zuiden. Verwacht wordt dat de impact van de klimaatverandering er groter zal zijn dan elders, onder meer omdat de arme zuiderse landen minder financiële middelen hebben.
Volgens KLIMOS hangt de voedselvoorziening in deze landen nauw samen met bosbehoud, bosherstel, brandhoutvoorziening, biodiversiteit en energievoorziening. Initiatieven op het vlak van bosaanplanting en bosbehoud zullen zowel de duurzame voedselproductie ten goede komen, als schadelijke koolstofemissies neutraliseren. Uit onderzoek blijkt dat één miljard ha landbouwland tot 50 miljoen ton koolstof kan opslaan.
L.V.
Nobelprijswinnaars debatteren over klimaatopwarming
(Foto: Christian Flemming)
In het kader van het jaarlijkse treffen tussen Nobelprijswinnaars en beloftevolle jonge wetenschappers vond op het bloemeneiland Mainau in het Bodenmeer een panelgesprek plaats met diverse aanwezige Nobelprijswinnaars en beleidsverantwoordelijken. In open lucht! Het gloedhete weer paste wonderwel bij het onderwerp, de opwarming van de aarde.
“Geen onderwerp voor geitenwollensokken, maar één van harde economische realiteit,” merkte Rajendra Pachauri, voorzitter van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) op. “De opwarming van de aarde vormt slechts één aspect van een groter probleem, veroorzaakt door de wereldwijde onduurzame groei. Die zal niet alleen gevolgen hebben voor het peil van het zeewater, de beschikbaarheid van drinkwater, maar zal ook tot conflicten leiden. In de vrije markt drijven advertenties de consumptie van goederen en diensten op, zonder te informeren over de risico’s van dit consumptiegedrag.”
Bjørn Lomborg van de Copenhagen Business School is het daarmee niet eens. “De economische impact van de klimaatwijziging bedraagt slechts 0,5% van het globale bruto binnenlands product, terwijl driekwart van de mensheid nog in middeleeuwse omstandigheden leeft en het noodzakelijk is dat hun economie verdubbelt of verdrievoudigt om hun daaruit te trekken. Vermindering van de CO2-uitstoot is nauwelijks een prioriteit wanneer mensen rondom jou sterven van malaria of door ondervoeding.”
Maar volgens Mario Molina, Nobelprijswinnaar scheikunde in 1995, lopen we een kans van 10 tot 30% om onze planeet op onherstelbare manier te beschadigen. “Door wijzigingen in de dynamiek van de oceanen en in die van de moessonregens en door het afsmelten van de polaire ijskappen. Er bestaan heel wat risicopunten en het is onverantwoord om ze zomaar te negeren. CO2-uitstoot moet een prijskaartje dragen, zodat overheden en ondernemingen een incentive hebben om deze emissies te beperken.”
De mogelijke oplossingen kwamen ter sprake. Klassieke, zoals het gebruik van wind- en zonne-energie en biomassa. En de al lang aangekondigde kernfusie. Met de nodige twijfels. IPCC-co-voorzitter Thomas Stocker bijvoorbeeld vreest dat geo-engineering - het in de atmosfeer brengen van stoffen die het zonlicht terugkaatsen - een gevaarlijke keuze zou zijn, omdat ze het oorspronkelijke probleem kan maskeren. Richard Schrock, Nobellaureaat in 2005, stelde dat we totaal nieuwe energiebronnen moeten ontdekken, zoals kunstmatige fotosynthese.
KM
Wouden reinigen atmosfeer
Een onderzoeksteam van de K.U.Leuven onder leiding van Prof. emeritus Jozef Peeters van het departement chemie heeft het chemisch mechanisme opgehelderd achter de bijdrage van tropische wouden in het zelfreinigend vermogen van de atmosfeer. De onderzoeksresultaten werden recent gepubliceerd in de vaktijdschriften PhysChemChemPhys en Chemical Science.
Het geldt al lang als volkswijsheid dat planten en bomen de lucht zuiveren. Maar de wetenschap sprak dit tot voor kort tegen. Planten en bomen stoten immers isopreen uit en dit breekt hydroxylradicalen in de atmosfeer af. Die hydroxylradicalen zijn zeer reactieve, natuurlijk voorkomende stoffen die de atmosfeer reinigen. Dus hoe meer planten, hoe meer isopreen en dus hoe minder hydroxylradicalen, dito minder zuivering. Tenminste, dat was voor Peeters en zijn team ontdekten dat de volkswijsheid het toch bij het rechte einde heeft. Ze stelden namelijk vast dat de oxidatie van het uitgestoten isopreen zorgt voor recyclage van hydroxylradicalen.
Uit recente metingen van verschillende teams blijkt inderdaad dat bosrijke steden waar de isopreenuitstoot hoog is tevens bijzonder rijk zijn aan hydroxylradicalen. Dat is bijvoorbeeld het geval met het Amazonewoud. Verder onderzoek is evenwel nog nodig. Exacte kennis van deze chemische mechanismen is volgens Peeters immers de voorwaarde “om op termijn efficiënte maatregelen te kunnen treffen voor het behoud van het zelfreinigend vermogen van onze kwetsbare atmosfeer”.
LV
Aralmeer krimpt
Het Aralmeer verdwijnt (Foto: Envisat op 1 juli 2006 en 6 juli 2009, ESA)
Er zijn maar weinig door de mens ontketende ecologische rampen zo sprekend als het tragische verhaal van het Aralmeer. Beelden genomen door de Envisat satelliet van ESA tonen duidelijk de dramatische terugval van het Aralmeer tussen 2006 en 2009 aan. Ooit was het Aralmeer de vierdegrootste binnenlandse watermassa ter wereld. Maar doordat de rivieren die het meer voedden, stelselmatig werden afgeleid voor irrigatieprojecten, bv. voor de katoenteelt, is het Aralmeer de voorbije 50 jaar steeds verder opgedroogd.
Tegen het eind van de jaren-tachtig was het meer in twee stukken ‘uit elkaar gevallen’ met in het Noorden het Kleine Aralmeer ter hoogte van Kazachstan en het Grote Aralmeer, in de vorm van een hoefijzer gelegen op het grondgebied van Kazachstan en Oesbekistan.
In 2000 viel ook het Grote Aralmeer in een oostelijk en westelijk gedeelte uiteen. Envisat bracht in kaart hoe tussen 2006 en 2009 het oostelijke stuk gevoelig is gekrompen. Sinds 2006 zou dit stuk al zowat 80% minder water hebben.
Experten verwachten dat hele zuidelijke gedeelte van het meer tegen 2020 volledig zal zijn uitgedroogd. Maar er worden wel inspanningen ondernomen om het noordelijke deel te redden.
Zo werd tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het Aralmeer de Kok-Aral dijk gebouwd, een gezamenlijk project van de Wereldbank en de Kazachstaanse regering. Deze dijk moet voorkomen dat er nog water naar het zuidelijke gedeelte van het meer stroomt. Sinds de dijk is voltooid in 2005 is het waterniveau van het noordelijke gedeelte inderdaad gemiddeld zo’n 4 meter gestegen.
In 2007 bekwam de Kazachstaanse regering een nieuwe lening van de Wereldbank om met de bouw van een nieuwe dam, een tweede grote fase in te zetten in de strijd tegen de opdroging van het Aralmeer.
Naarmate het Aralmeer verdampte bleef er een 40000 vierkante kilometer grote doge witte zoutvlakte achter, de Aral Karakum Woestijn. Ieder jaar schuren geweldige zandstormen over de Aral karakum. Daarbij wordt jaarlijks minstens 150000 ton zout en zand opgeblazen en honderden kilometers ver getransporteerd. Het stof dat op deze manier wordt opgewaaid is in vele gevallen een bijzonder gevaarlijk goedje. Wat er vroeger immers nog aan water in het meer toekwam was vaak zwaar vervuild met pesticiden, zware metalen en andere giftige stoffen. Die stoffen bleven in de bodem zitten en komen, nu het water weg is, weer aan de oppervlakte. De situatie is zo erg dat men soms spreekt zelfs spreekt van chemische stormen. Niet verwonderlijk dus dat de zandstormen ernstige gezondheidsproblemen bij de lokale bevolking veroorzaken. Bovendien zorgt de verwoestijning van het gebied voor een zeer ongunstige klimaatomslag: winters worden kouder, de zomers heter. Om deze effecten te bestrijden probeert men nu op de oude meerbodem begroeiing aan te planten die is opgewassen tegen droge, zoute milieus.
Meer info: ESA
Vlaams gezin wil betalen voor schoon milieu
(Foto: Paul Hermans, Wikipedia) De Vlaamse Instelling voor Technologische Onderzoek (VITO) werkte mee aan een Europese studie over de maatschappelijke en economische baten van een verbeterde kwaliteit van onze waterlopen (Aquamoney). Hiervoor ontwikkelde VITO een methode om in te schatten hoe de welvaart van mensen stijgt bij een verbetering van de kwaliteit van onze waterlopen. 700 Vlaamse gezinnen namen deel aan een keuze-experiment via het internet.
In de studie werd de Dender als voorbeeld genomen. De deelnemers kregen 6 keuzes voorgelegd, waarbij ze telkens moesten aangeven welke situatie hun voorkeur had en of hun gezin bereid was de bijbehorende stijging van de watertaksen te betalen om de gekozen situatie te bereiken.
Uit de antwoorden blijkt dat meer dan 90% van de bevraagden geld over heeft voor schone waterlopen. Als de resultaten van het onderzoek juist zijn, zo rekent VITO voor, dan zou een gemiddeld Vlaams gezin jaarlijks zo’n 50 tot 200 euro veil hebben voor een goede ecologische toestand van de waterlopen. Dit wil zeggen: een zeer goede chemische waterkwaliteit, maar ook groene oevers en een verscheidenheid aan waterplanten en -dieren. Het bedrag dat mensen willen betalen hangt sterk af van het gezinsinkomen, het feit of ze lid zijn van een milieuvereniging, of ze recreëren op of langs de rivier en de woonafstand tot de rivier.
Opmerkelijk is dat mensen vooral veel willen betalen voor een toename van verschillende plant- en diersoorten (de biodiversiteit) en in mindere mate voor groenere oevers en de waterkwaliteit zelf (minder geurhinder, minder schuim), hoewel de parameters in realiteit wel wat samenhangen. Dit resultaat ondersteunt de Europese regelgeving (Kaderrichtlijn Water) die zegt dat enkel focussen op chemische waterkwaliteit niet voldoende is.
Achtergrond: Kaderrichtlijn Water
De studie werd uitgevoerd in het licht van de Europese Kaderrichtlijn Water die beoogt dat tegen 2015 alle waterlopen in de EU een goede ecologische status hebben. Dit wil zeggen dat ze niet alleen een goede chemische waterkwaliteit moeten hebben, maar ook een goede biologische kwaliteit (planten en dieren) en een goede waterhuishouding (vermijden van droogte en overstroming). Om dit te realiseren moeten de lidstaten maatregelenpakketten samenstellen.
Verschillende partijen zullen inspanningen moeten leveren voor het uitvoeren van deze maatregelen. De Kaderrichtlijn Water stelt dat dit op een kostenefficiënte manier gebeurt en dat de inspanningen wel moeten opwegen tegen de opbrengsten. Omdat heel veel van de diensten die door waterlopen worden geleverd zoals een aangename omgeving, vasthouden van water enz. niet op een markt te koop zijn, is het niet eenvoudig in geld uit te drukken wat een verbetering van de kwaliteit van onze waterlopen de maatschappij oplevert.
Milieu-economen hebben verschillende methoden om de waarde van deze diensten in te schatten, waaronder keuze-experimenten. Hierbij moeten mensen een reeks van keuzes maken tussen verschillende situaties met betrekking tot milieukwaliteit waartegenover telkens ook andere geldbedragen staan. Zo simuleer je een kader vergelijkbaar met het kiezen tussen twee soorten brood bij de bakker. Op basis van de keuzes van mensen kan je dan hun voorkeuren afleiden met betrekking tot milieukwaliteit. De resultaten en de geleerde lessen uit de VITO-studie over de Dender en de tien gevalstudies in andere Europese landen zullen de beleidsmakers helpen op een wetenschappelijk onderbouwde wijze keuzes te maken bij het integraal waterbeleid.
Deze studie kadert in ruimer onderzoek binnen VITO naar de kosten en baten van een verbetering van de leefomgeving van de Vlaming.
Doelstelling biodiversiteit 2010 niet te halen
De Europese Commissie publiceerde op 14 juli 2009 een verslag over de situatie (de zgn. “staat van instandhouding) van 1182 dier‑ en plantensoorten en 216 habitattypes beschermd door EU-wetgeving. Het gaat om de meest omvattende studie van de biodiversiteit in de EU ooit ondernomen.
Uit het verslag blijkt dat we de teloorgang van de biodiversiteit nog lang geen halt hebben toegeroepen, in tegendeel. Het staat dus vast dat de Europese doelstelling om het biodiversiteitsverlies in Europa tegen 2010 een halt toe te roepen, niet zullen halen.
Ronduit slecht gaat het met de grasland‑, wetland‑ en kusthabitattypes. De graslanden hebben zwaar te leiden onder het verdwijnen van traditionele landbouwpraktijken, intensivering in de landbouw, plattelandsvlucht en onaangepast beheer. Wetlands moeten nog al te vaak plaats ruimen voor andere dan natuurdoeleinden en hebben specifiek te lijden van de klimaatopwarming. De kusthabitats krijgen het dan weer zwaar te verduren door de druk van het toerisme.
Toch is niet alles kommer en kwel. Sommige grote, charismatische diersoorten zoals de wolf, de Euraziatische lynx, de bever en de otter lijken aan een voorzichtige herovering van delen van hun oorspronkelijke verspreidingsgebied te zijn begonnen. Ook wat betreft monitoring en rapportering werpen de eerder gedane investeringen in tal van lidstaten hun vruchten af. Dat neemt echter niet weg dat er nog flink wat hiaten in de kennis zijn. Voor ongeveer 13% van de habitattypes en 27% van de soorten kent men de staat van instandhouding niet. Vooral in Zuid-Europa blijkt dit een probleem. Landen als Cyprus, Griekenland, Spanje en Portugal bestempelen de staat van instandhouding voor meer dan de helft van de soorten op hun grondgebied als onbekend. Vooral inzake het mariene milieu vallen er nog veel leemten in de kennis op.
Ook al is er nog een lange weg af te leggen, EU-commissaris voor Milieu Stavros blijft erop hameren dat de terugloop van de biodiversiteit in Europa tot staan zal worden gebracht: “Het verslag dat vandaag wordt gepubliceerd, toont aan dat het te vroeg is om onszelf een schouderklopje te geven. Kwetsbare habitats en soorten opnieuw goede instandhoudingsvooruitzichten bieden, zal nog veel tijd en grote inspanningen vergen,” aldus Dimas.
Voor de bescherming van de natuur in Europa beschikt de EU alvast over twee cruciale rechtsinstrumenten: de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten een reeks specifieke habitattypes en soorten in een gunstige staat van instandhouding te behouden in de gebieden die daartoe met instemming van de Commissie zijn aangewezen. Samen met de Vogelrichtlijngebieden maken deze Habitatrichtlijngebieden deel uit van Natura 2000, het omvangrijkste ecologische netwerk ter wereld. In het kader van de Habitatrichtlijn zijn bijna 22000 beschermde gebieden aangewezen, die samen circa 13,3 % van het EU-grondgebied bestrijken. In zijn geheel omvat het Natura 2000-netwerk meer dan 25000 gebieden (Vogelrichtlijn‑ en Habitatrichtlijngebieden samen) en beslaat het ongeveer 17% van het grondgebied van de EU.
Voor Stavros Dimas zijn de EU-natuurbehoudswetgeving en het Natura 2000-netwerk dan ook de kernelementen die ons in staat moeten stellen onze biodiversiteitsdoelstellingen voor de EU te realiseren. “Nu de terrestrische component van Natura 2000 zo goed als compleet is, vallen de komende 10 tot 20 jaar grote verbeteringen te verwachten,” aldus de EU-commissaris voor Milieu.
Catastrofe dreigt voor koraalriffen
(Foto: Richard Ling, Wikimedia Commons)
De combinatie van verzuring en opwarming van het oceaanwater dreigt de koraalriffen nog voor het einde van deze eeuw fataal te worden. Dat was een van alarmerende boodschappen waarmee toonaangevende wetenschappers begin juli 2009 aan de alarmbel trokken. Tijdens een workshop, georganiseerd door de Zoological Society of London, het International Programme on the State of the Ocean (IPSO) en de Royal Society, bogen de wetenschappers zich onder meer over de vraag welke CO2 concentratie in de atmosfeer fataal is voor de koraalriffen.
Met de huidige verwachte toenames van de emissies schat men dat we nog vóór 2050 bij 450 ppm CO2 zullen uitkomen. Vanaf dan dreigen de koraalriffen in enkele tientallen jaren tijd volledig uit te sterven. De verzuring van de oceanen, als gevolg van de opwarming, zou dan de resterende koraalriffen de das omdoen vanaf 2050. De wetenschappers spreken van een ware catastrofe die niet beperkt zal blijven tot de riffen, maar die in een echte dominocascade ook andere zee-ecosystemen zwaar zal treffen. Met alle gevolgen van dien voor het leven op aarde.
Sir David Attenborough, co-voorzitter van de wetenschappelijke bijeenkomst, verwoordde het als volgt: “We moeten alles doen wat nodig is om de sleutelcomponenten van het leven op onze planeet te beschermen. Want de gevolgen van de beslissingen die we nu nemen zullen, wat de mensheid betreft, waarschijnlijk voor eens en altijd zijn.”
Het is wetenschappelijk aangetoond dat we al lang voorbij het punt zijn, waarbij het mariene milieu een duurzame toekomst garandeert voor de riffen. “De keuken staat in brand en het vuur slaat nu uit naar de rest van het huis. Als we snel en kordaat handelen kunnen we de brand misschien nog blussen en de schade beperken. Maar als dat niet lukt, dan is het huis onherroepelijk verloren. Dat is de toestand waarin de koralen zich vandaag bevinden,” zo schetste Dr Alex Rogers van ZSL en IPSO de dramatische situatie.
De wetenschappelijke bijeenkomst werd georganiseerd om de kantelmomenten te identificeren voor koraalriffen en om de belangrijke aandachtspunten met betrekking tot hun bescherming aan het licht te brengen. De belangrijkste bevindingen werden samengevat in een wetenschappelijk statement dat zal worden meegenomen in de verdere klimaatbesprekingen. Rond het statement wordt ook een campagne opgezet.
Het is hoog tijd dat de oceanen meer aandacht krijgen in de klimaatonderhandelingen. In de gesprekken over emissiereducties zijn ze tot nog toe nogal stiefmoederlijk behandeld. Maar nu duidelijk is dat er zoveel op het spel staat, moet daar verandering in komen. Het ziet er immers steeds meer naar uit dat, wat klimaatveranderingen betreft, de oceanen de zwakke plek van onze planeet zijn.
Link naar het statement en de campagne: Coral Meeting Statement on the Science and Management of Coral Reef Ecosystems in a Changing Climate
CFK-aanpak was succes, nu de CO2 nog
Mario Molina (Foto: Christan Flemming )
Milieu en klimaat waren weer kernthema’s op de jaarlijkse bijeenkomst van Nobelprijswinnaars en beloftevolle jonge wetenschappers uit heel de wereld, dit jaar voor de 59ste keer in het Zuid-Duitse eilandstadje Lindau, in het Bodenmeer. Dit jaar vaardigden 67 landen samen 580 jonge intellectuelen af.
Bij de 23 aanwezige Nobellaureaten was dit jaar ook Mario Molina (°1943). Deze Mexicaanse geleerde ontving de prijs in 1995, voor zijn bijdrage aan de ontdekking dat drijfgassen de ozonlaag aantasten. Hij deelde die prijs met Paul Crutzen en met zijn vroegere mentor Sherwood Rowland. Die waren dit jaar trouwens eveneens van de partij in Lindau.
De bijeenkomst omvat zowel losse babbels als groepsgesprekken, paneldiscussies, persconferenties en individuele voordrachten door de Nobelprijswinnaars. In zijn lezing waarschuwde Molina voor de denkfout om de oorzaak van individuele weerfenomenen, zoals de orkaan Katrina, te leggen bij de door menselijke activiteiten veroorzaakte globale opwarming. “Klimaat is een gemiddeld verschijnsel. Afzonderlijke gebeurtenissen worden niet veroorzaakt door de globale opwarming. Maar studies tonen wel een verband aan tussen de temperatuur van de zee-oppervlakte en de toename in kracht, niet noodzakelijk die in aantal, van orkanen.”
Molina vindt het gebruik van alternatieve energiebronnen in plaats van fossiele brandstoffen en de opvang en opslag van CO2 allebei waardevolle oplossingen. Hij blijft kernenergie beschouwen als een toekomstige vorm van energie en wijst op de veiligheid en efficiëntie van de nieuwe generatie kernreactoren. Hij drukte de vrees uit dat we de invloed van de factoren die zorgen voor de opwarming misschien nog altijd onderschatten. Actie is dan ook dringend nodig, vindt hij.
Sherwood Rowland verwees naar het Montreal Protocol uit 1987, dat een halt toeriep aan het gebruik van CFK-drijfgassen. “Het is intussen 22 jaar van kracht en een succes. Toch zal het gat in de ozonlaag ook tijdens de 21ste eeuw blijven opduiken tijdens de Antarctische lente. Dat ligt aan de lange levensduur van de vroeger vrijgekomen CFK’s.”
Opgepast voor de (zee)hond
Gewone zeehond, Phoca vitulina (Foto: Wikipedia)
Bijna een jaar lang komen een tiental zeehonden op een strandhoofd in Koksijde geregeld uitrusten. De aanwezigheid van deze dieren is een pluim voor de verschillende diensten actief in het natuurherstel van ons stukje Noordzee. Het is de enige plaats aan onze kust waar zich regelmatig wilde zeehonden bevinden. Dat maakt deze zeezoogdieren meteen tot een lokale attractie.
Die populariteit is minder goed nieuws, want door de grote publieke aandacht worden de rustende dieren heel frequent verstoord. Dit zou ze zuur kunnen opbreken, want zeehonden hebben vrijwel dagelijks een rustplaats op het droge nodig. Het gevaar bestaat dan ook dat de dieren dit gebied opnieuw de rug zullen toekeren. Daarom lanceren het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen, samen met onder meer SeaLife Blankenberge, de gemeente Koksijde en het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) een publieke oproep om de rustende dieren zo min mogelijk te verstoren. Wie dat wil, mag nog steeds gaan kijken uiteraard, maar hou zeker voldoende afstand. En hou je hond aan de leiband. Alleen zo kunnen we deze prachtige dieren aan onze kust houden.
Voor meer info en nieuws over de Noordzee: http://www.mumm.ac.be/
Philips stopt verkoop klassieke TL-lampen
In de Benelux biedt lampenfabrikant Philips nog alleen energiezuinige TL-producten aan. Het heeft er de verkoop van TL-fluorescentielampen en TL-armaturen met conventionele voorschakelapparatuur stopgezet en focust zich er nog uitsluitend op energiezuinige varianten. Die hebben een 20% langere levensduur, geven 20% meer licht en bevatten ook 75% minder kwik. Philips verwacht daarmee in de Benelux op jaarbasis een afname van 112 miljoen kg CO2-uitstoot, zowat het energieverbruik van méér dan 50.000 woningen in één jaar.
Het zijn vooral (60%) kantoren, industrie, scholen, gezondheidszorg en supermarkten die TL-lampen en armaturen gebruiken. Totnogtoe was dit ook de sector met de minste aandacht voor de besparingsmogelijkheden van energiezuinige verlichting. In het gemiddelde kantoor gaat ongeveer 35 tot 40% van energieverbruik naar verlichting. Bij scholen is dit tot 80% en bij winkels 60%. Vervanging van oude, energieverspillende TL-systemen door nieuwe elektronische energie-efficiënte systemen kan een energiebesparing tot 70 procent opleveren.
Philips kondigde vorig jaar tijdens het Al Gore’s Climate Change-event aan te stoppen met de verkoop van standaard TL-fluorescentielampen en de verkoop van TL-armaturen met conventionele voorschakelapparatuur. Sindsdien heeft het de nodige maatregelen genomen om de markt voor te bereiden.
Op technologisch vlak hebben de grootste bedrijven, waarbij Philips, een beduidende voorsprong op de kleine spelers, die wel concurrenten zijn op de klassieke markt. Die klassieke markt zal verder afkalven wanneer steeds meer afnemers, om economische motieven op lange termijn (de aankoopprijs van energiezuinige oplossingen ligt hoger, het mindere verbruik compenseert dit pas na verloop van tijd), uit principiële overwegingen of omdat er wettelijke verplichtingen komen.
KM
ARGUS brengt voortaan dagelijks nieuws uit binnen- en buitenland