Kleurstoffen tatoeages risicovol
De Leuvense toxicoloog Jan Tytgat (Foto: K.U.Leuven) waarschuwt er in het tijdschrift Bodytalk voor dat de kleurstoffen die gebruikt worden bij tatoeages allerlei gevaarlijke aandoeningen kunnen veroorzaken. Het KB uit 2005 dat tatoeages en piercings reglementeert bevat een lijst met verboden kleurstoffen. Beter ware het volgens Tytgat een lijst te voorzien van veilig bevonden kleurstoffen die toegelaten zijn. Onze kennis is hiertoe thans echter te beperkt.
Omdat bij een permanente tatoeage de kleurstof met naalden diep in de huid wordt ingebracht komt deze stof deels in de bloedbaan terecht. Dat gebeurt rechtstreeks op het moment van de injectie, maar ook achteraf door migratie vanuit de huid. “Tijdens het natuurlijk ontgiftings- en verwijderingsproces door lever en nieren ontstaan giftige afbraakproducten. Die reageren met eiwitten in de blaaswand en kunnen op lange termijn blaaspoliepen en zelfs blaastumoren veroorzaken”, aldus Tytgat.
Uit een EU-rapport bleek enkele jaren terug dat er veel kankerverwekkende stoffen gebruikt werden. Industriële pigmenten zoals autoverf of schrijf- of printinkt bleken de meeste gebruikte tatoeagekleurstoffen. Dit onderzoek leidde in 2003 tot een resolutie van de Raad van Europa met een lijst van verboden kleurstoffen voor tatoeages. Die werd in 2008 uitgebreid en ook voorzien van maximum toegelaten concentraties van onzuiverheden zoals zware metalen.
Tytgat waarschuwt in het artikel ook voor bruinrode hennatatoeages die al na enkele weken verdwijnen en steeds populairder worden. Niet de henna, maar de ingrediënten die men toevoegt om de natuurlijke bruinrode kleur van henna op de huid donkerder tot zelfs zwart te maken - de zogenaamde ‘black henna’ - zijn risicovol. “Vaak verkiest de tatoeëerder de goedkopere, chemische stof PPD die het kleurproces versnelt. Deze veroorzaakt echter een krachtige allergische eczeemreactie in 3 tot 15 procent van de gevallen”.
L.V.
Obama-administratie erkent ernst klimaatverandering
(Foto: Wikipedia)
De Verenigde Staten ondergaan nu reeds de negatieve effecten van de klimaatverandering en zullen er in de toekomst zwaar door getroffen worden. Trends als extreme weerfenomenen, droogtes en bosbranden wijzen erop dat de gevolgen van de opwarming zich nu al manifesteren. Wat thans gebeurt is waarschijnlijk grotendeels onomkeerbaar. Dat is de conclusie van een studie “Global Climate Change. Impacts in the United States” waaraan overheidsinstellingen en onafhankelijke wetenschappers jarenlang gewerkt hebben.
Als onmiddellijk de gepaste actie ondernomen wordt kunnen de ergste gevolgen nog worden afgewend. Als niets ondernomen wordt om de uitstoot van de broeikasgassen, die verantwoordelijk wordt geacht voor de stijgende temperaturen, te beperken dreigen dramatische consequenties waaronder meer en intensievere hittegolven, branden en ziektes veroorzaakt door lange droogtes, zware regenval met overstromingen tot gevolg en de bedreiging van de koraalriffen en de daarmee verbonden ecosystemen als gevolg van de stijgende zeetemperaturen.
De inhoud van het rapport is representatief voor de nieuwe wind die door het Witte Huis waait sinds Barack Obama het presidentschap overnam van George W. Bush. Terwijl deze laatste voortdurend twijfels zaaide ronde de opwarming neemt Obama het fenomeen wel zeer ernstig. Momenteel is het Congres in Washington druk bezig met de uitwerking van een reeks van wettelijke maatregelen. Bedoeling is tegen 2020 de uitstoot van broeikasgassen met 17 procent te verminderen in vergelijking met 2005. Tegen 2050 moet die uitstoot 80 procent lager zijn.
L.V.
Mekongdolfijnen sterven uit
Dolfijn in de Mekong (foto: WWF)
Natuurorganisatie WWF waarschuwt ervoor dat de Irrawaddydolfijnen, een van de zeldzaamste dolfijnsoorten, met uitsterven bedreigd zijn. Deze dolfijnsoort leeft in een 190 kilometer lange strook van de Mekongrivier tussen Cambodja een Laos. Oorzaak van het uitsterven is de zware vervuiling van de rivier. De WWF eist dat er dringend een grensoverschrijdend programma wordt uitgewerkt om de laatste dolfijnen te redden.
In de rivier leven naar schatting nog slechts 64 tot 76 van deze dolfijnen. De afgelopen 6 jaar stierven er 88 van deze dieren. In twee gevallen op drie ging het om babydolfijntjes die minder dan twee weken oud waren. Bij onderzoek van de kadavers werd een bacteriële ziekte vastgesteld. Deze ziekte zou evenwel niet dodelijk geweest zijn als het immuunsysteem van de dieren niet aangetast was door milieuvergiftiging.
In de kadavers werden tevens toxische hoeveelheden aangetroffen van pesticiden zoals DDT en organische milieuvervuilers zoals PCB. Enkele kadavers bevatten ook hoge doses kwikzilver. De milieuvervuiling is wijd verspreid en kan uit verschillende landen afkomstig zijn waar de Mekong doorstroomt. Deze giffen zijn volgens het WWF overigens ook gevaarlijk voor de mensen die water drinken van de rivier of eten van de vissen die erin hebben gezwommen.
L.V.
Eerste zes van Thorntonbank leveren stroom
Foto: Turbines op de Thorntonbank (foto: C-power)
Heeft Australië ruimte en wind zat voor windmolenparken op land, dan is dat in onze contreien helemaal niet het geval. De Belgische windmolens worden dan ook zo’n 30 kilometer ver van de kust in de Noordzee gebouwd, een technische huzarenklus met een flink prijskaartje. De realisaties liegen er niet om. Sinds mei 2009 zijn alle eerste zes windturbines op de Thorntonbank operationeel. Ze hebben elk een piekvermogen van 5.25 MW. De zes turbines maken deel uit van de eerste fase van het windenergiepark. Het is de bedoeling dat er tegen 2013 in totaal 60 5MW-windturbines worden gebouwd. Het windenergiepark zal dan een totaal geïnstalleerd vermogen hebben van 300 MW die naar verwachting ongeveer 1.000 GWu stroom per jaar aan het net zullen leveren. Hiermee komt het verwezenlijken van de doelstellingen inzake hernieuwbare energie die de Belgische regering heeft gesteld alvast een grote stap dichterbij. In vergelijking met een moderne gasgestookte krachtcentrale zorgt het windenergiepark voor een verminderde CO2-uitstoot van 450.000 ton per jaar.
Het ThorntonBank project is het eerste offshore windenergiepark voor de Belgische kust dat al volledige goedkeuring heeft gekregen. De bouw werd op 23 mei 2007 gestart en na de bouw van de windturbines in de zomer 2008 werd ook de aansluiting op het elektriciteitsnet eind 2008 gerealiseerd en sinds begin 2009 wordt er elektriciteit in het transportnet geïnjecteerd. Op 10 mei 2009, werd de laatste windturbine na het perfect doorlopen van alle testprocedures opgestart. De windturbines worden, vanuit veiligheidsoverwegingen, gradueel opgestart met een vermogensbeperking (820 KW, 1600 KW, 3500 KW), zodat het geïnstalleerd vermogen na verdere tests en controle verder gradueel opgebouwd wordt tot het piekvermogen van 5.25 MW per turbine.
Meer info: http://www.c-power.be
Reuzenwindmolenpark krijgt groen licht
(Windmolenpark in de VS, foto: Wikipedia)
Australië plant de bouw van een nieuw windmolenpark van maar liefst 600 windturbines op een oppervlakte van in totaal meer dan 32000 hectare. De windmolens zouden ruim 430000 gezinnen van stroom voorzien. Het windmolenpark zal in de buurt van Broken Hill in de staat New South Wales worden gebouwd. Deze afgelegen dorre regio is beroemd/berucht voor zijn lood- en zinkmijnen.
Australië behoort bij de slechtste leerlingen in de klas als het om uitstoot van broeikasgassen gaat. Het land beschikt dan ook over grote reserves goedkope steenkool. De federale regering van Australië wil het land echter minder afhankelijk maken van fossiele brandstoffen en de uitstoot van broeikasgassen terugdringen. Met dit en gelijkaardige grootschalige windmolenparken wordt gemikt op een reductie van broeikasgasemissies van 6 miljoen ton per jaar. Doel is dat in 2020 20% van de elektriciteit in Australië afkomstig is uit hernieuwbare bronnen.
Bron: Phil Mercer BBC News, Sydney
Afrikaanse woestijnzon omzetten in elektriciteit
(Foto: DESERTEC Foundation)
Een consortium van een twintigtal Duitse bedrijven onder leiding van herverzekeraar Munich Re wil de komende jaren liefst 400 miljard euro investeren in een gigantisch zonne-energieproject in de Noord-Afrikaanse Sahara-woestijn om Europa van energie te voorzien. Het project, dat de naam Desertec meekreeg, wil met spiegels de energie van de zon bundelen en stoom opwekken voor turbines. Die stoom wordt nadien omgezet in elektriciteit die via een nieuw naar Europa getransporteerd wordt. De Süddeutsche Zeitung pakte enkele dagen terug uit met het nieuws.
Het project ontsproot volgens De Morgen enkele jaren terug uit de Club van Rome, een groep wetenschappers die zich al jaren bezighoudt met de toekomst van het energiebeleid en kreeg de steun van het Jordaans Energie-Instituut. De organisatie heeft nu Munich Re kunnen overtuigen om zijn schouders er onder te zetten en deze heeft een twintigtal bedrijen waaronder Siemens, E.ON, Deutsche Bank en RWE uitgenodigd om mee te stappen in het immense project. Op 13 juli vergaderen ze om de plannen te formaliseren. Bedoeling is om 15 procent van het Europese energieverbruik te dekken. De Morgen spreekt zelfs van 80 procent tegen 2050.
Meer info op http://www.desertec.org
Bio-energie aanslag op watervoorraad
Jatrophaplantage in Paraguay (Foto: Wikipedia.org)
De discussie over biobrandstoffen en de teelt van energiegewassen was tot nog toe vooral ethisch van aard: is het wel verantwoord dat voedselgewassen worden gebruikt als brandstof? Volgens onderzoekers van de Universiteit Twente zou de discussie echter fundamenteler moeten worden gevoerd. Hou je bijvoorbeeld ook rekening met hoeveel water er nodig is voor de teelt van energiegewassen dan gaat het debat dus ook over het optimaal beheer van schaarse grondstoffen. Water dat gebruikt wordt voor de kweek van energiegewassen is immers niet meer beschikbaar als drinkwater en kan niet meer dienen om natuurlijke ecosystemen in stand te houden. Het maakt dan nog weinig uit of het daarbij gaat over een voedselgewas zoals maïs, dan wel over oneetbaar plantaardig materiaal zoals jatropha. De watervoetafdruk, zoals die werd ontwikkeld door Prof. Arjen Hoekstra, een van de auteurs van het artikel, blijkt in deze discussie een zeer handig instrument.
De ‘watervoetafdruk’ van de bio-energie, dit is de hoeveelheid water (via regenwater of irrigatie) nodig om de energiegewassen te kweken, is veel groter dan de watervoetafdruk van andere energiebronnen. Dat is nogal logisch, aangezien alle levend materiaal nu eenmaal veel water bevat. Het ene energiegewas is echter het andere niet, concluderen de Nederlandse onderzoekers. Het opwekken van elektriciteit uit biomassa is bijvoorbeeld dubbel zo waterefficiënt als de productie van biobrandstof zoals biodiesel of bio-ethanol. De wetenschappers berekenden de watervoetafdruk van dertien verschillende teelten en vergeleken die met elkaar. Ze legden daarbij ook de link met regionale klimatologische invloeden. Dat levert nuttige inzichten op. Bijvoorbeeld kunnen zo optimale productieregio’s voor elke teelt in kaart worden gebracht. In regio’s waar water schaars is, kan je zo makkelijker voorzien waar de teelt van energiegewassen in concurrentie zal treden met de voedselproductie.
Het voorbeeld van biodiesel uit koolzaad, soja of jatropha maakt veel duidelijk. Om één liter biodiesel uit koolzaad of soja te produceren is er ongeveer 14000 liter water nodig. Maar de watervoetafdruk van koolzaad is in West-Europa veel kleiner dan in Azië. Voor soja heeft Indië een grote watervoetafdruk, terwijl de cijfers voor landen als Italië en Paraguay op dat vlak gunstiger liggen. Jatropha, dat steeds meer wordt gebruikt in de biomassaproductie en omdat het oneetbaar is, ogenschijnlijk minder problemen stelt dan pakweg soja of maïs, heeft een nog slechtere watervoetafdruk. Hier is gemiddeld maar liefst 20000 liter water nodig voor de productie van 1 liter biodiesel.
Bioelektriciteitsopwekking komt in vergelijking met de biobrandstoffenteelt veel positiever uit de rekenoefening naar voren. Dat is ook logisch, in de biobrandstoffenproductie wordt maar een deel van de plant (suikers, zetmeel, olie uit de zaden) gebruikt, terwijl bij elektriciteitsopwekking de ganse plant wordt benut.
In de zgn. biobrandstoffen van de nieuwe generatie wordt dat verschil kleiner. Daarbij kan bijvoorbeeld ook ethanol worden gemaakt van de bladeren en stengels van de planten. Dat zal dan ook de watervoetafdruk verkleinen. Binnen de bioelektriciteitsproductie is suikerbiet wat betreft watervoetafdruk de favoriet. Jatropha is bijvoorbeeld 10 keer minder waterefficiënt dan suikerbiet. Ook voor de productie van bio-ethanol is suikerbiet veruit de betere. Om uit suikerbieten 1 liter bio-ethanol te produceren zijn 1400 liter water nodig, terwijl dat voor suikerriet, vooral geteeld in Brazilië, 2500 liter is.
De resultaten van dit onderzoek werden begin juni 2009 gepubliceerd in het vaktijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS).
Meer info: Hoekstra, A.Y. (2009) Human appropriation of natural capital: A comparison of ecological footprint and water footprint analysis, Ecological Economics 68(7): 1963-1974.[Download]
Nieuwe editie MIRA-T 2008 Indicatorrapport
Het nieuwe MIRA van de Vlaamse Milieumaatschappij is er. In dit milieurapport wordt verslag uitgebracht van de toestand van het milieu. Daarbij wordt ook nagegaan in hoeverre we op onze vooropgestelde koers zitten. De indicatoren in het nieuwe MIRA-T 2008 Indicatorrapport zijn daarom minstens getoetst aan de doelstellingen van het milieubeleidsplan voor Vlaanderen, MINA-plan 3+ (2008-2010).
Uit het rapport blijkt dat de milieudruk in Vlaanderen sinds 2000 grotendeels is losgekoppeld van de economische groei. Economische groei is in Vlaanderen dus niet langer synoniem voor meer vervuiling. De uitstoot van verzurende stoffen en van stoffen die aanleiding geven tot ozonsmog is gedaald.
Sinds 2004 vertoont ook de uitstoot van broeikasgassen een voorzichtige daling. In 2007 dook Vlaanderen zelfs onder de Kyoto-doelstelling voor 2008-2012. Maar dat is geen reden om op de lauweren te gaan rusten. De daling in de uitstoot van broeikasgassen is immers voor een deel te danken aan de zachtere klimatologische omstandigheden. Een meer efficiënt energiegebruik blijft prioritair om ook bij minder zachte winters onder de Kyoto-doelstelling te blijven. De energiesector en industrie blijven verantwoordelijk voor de helft van de broeikasgasuitstoot maar (goederen)transport is wel de enige sector waarin de emissies blijven toenemen. De elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen (groene stroom) is in 2007 verder gestegen tot een aandeel van 2,7% in het bruto elektriciteitsgebruik. Tegen 2010 moet dit oplopen naar 6%. Ook het bruto binnenlands energiegebruik steeg minder snel dan het bruto binnenlands product (BBP). Het verhogen van de eco-efficiëntie van de Vlaamse economie is een van de doelstellingen van het Vlaamse Regeerakkoord en de Beleidsnota Leefmilieu 2004-2009.Opvallend in dit MIRA is verder dat één op 10 Vlamingen ernstig of extreem gehinderd blijkt te zijn door lawaai. De geluidsdrukniveaus in Vlaanderen blijven stijgen. Lawaai staat dan ook op de tweede plaats voor het verlies aan gezonde levensjaren ten gevolge van milieufactoren. Blootstelling aan PM10 en PM2,5 staat op de eerste plaats, ook al is de emissie van fijn stof gedaald. Gemiddeld verliest een Vlaming iets meer dan een gezond levensjaar door levenslange blootstelling aan milieuverstoring.
Meer informatie op www.milieurapport.be
Opwarming met 2 procent niet te vermijden
(Fotot: Europese Commissie)
Onderzoekers van een gespecialiseerd studiecentrum in het Duitse Potsdam stellen op basis van de actuele engagementen van geïndustrialiseerde landen in een studie die zopas in het vakblad Nature verscheen dat een stijging van de temperatuur op aarde met minstens 2 graden niet te vermijden is. Een temperatuurstijging met 2 graden is voor onderzoekers wereldwijd, onder meer van het Intergouvernementele Panel over Klimaatverandering (IPCC), een niet te overschrijden drempel om natuurrampen en andere extreme gebeurtenissen te vermijden. Vanaf een toename met 3 tot 4 graden zou het menselijk leven op aarde zelfs sterk onder druk komen te staan.
De geïndustrialiseerde landen beloven momenteel een vermindering van 8 tot 14 procent van de uitstoot van broeikasgassen tegen 2020 en van 57 tot 63 procent tegen 205. De ontwikkelingslanden sturen aan op een vermindering met 4 procent. Om de 2 procent temperatuurstijging te vermijden moeten volgens de onderzoekers de rijke landen de uitstoot tegen 2020 echter beperken tot 25 tot 40 procent (in vergelijking met 1990) en tegen 2050 met 50 tot 80 procent. De ontwikkelingslanden moeten tegen 2020 bijsturen met 15 tot 30 procent. De waarschuwing van de Duitse onderzoekers zijn vanzelfsprekend in de eerste plaats gericht op degenen die momenteel de grote klimaatconferentie van Kopenhagen voorbereiden die dit najaar gehouden wordt en waar scherpe maatregelen verwacht worden om de opwarming binnen de perken te houden.
L.V.
Wereldwijd 1,2 miljoen verkeersdoden per jaar
Het verkeer heef t niet alleen op het milieu een ernstige impact. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie vallen er jaarlijks wereldwijd 1,2 miljoen doden en tussen de 20 en 50 miljoen gewonden in het verkeer. Liefst 46 procent van deze verkeersoden zijn zwakke weggebruikers zoals voetgangers en fietsers. In arme landen zoals Thailand stijgt dat percentage zelfs tot 80 procent. Als er geen maatregelen genomen worden wordt zal het aantal verkeersdoden tegen 2030 stijgen tot 2,4 miljoen. In 2004 was het verkeer de 9de voornaamste doodsoorzaak.
Verkeersongelukken maken meer slachtoffers onder de arme bevolking dan onder de rijke. Meer dan 90 procent van de ongevallen gebeuren in landen met lage of gemiddelde inkomsten, terwijl deze landen slechts 48 procent van het totale aantal wagens op de wereld tellen. In ontwikkelingslanden komen er in snel tempo wegen en wagens bij wat daar steeds meer verkeersslachtoffers eist.
In landen met hoge inkomsten daalt het aantal verkeersoden vaak of blijft het stabiel. Geen enkel land kan echter zeggen dat het alles heeft gedaan inzake verkeersveiligheid. Zelfs de beste landen zoals Nederland en Groot-Brittanië kunnen nog veel doen om de situatie te verbeteren. België bevindt zich in de middenmoot. Voor snelheidscontroles halen we slechts een nipt voldoende, maar de WHO buist ons land voor handhaving van alcohollimieten en het dragen van de gordel.
LV
Meer info: WHO
Villo wil Brusselaar op de fiets
(Foto: Vélib, Parijs)
In mei is JCDecaux, wereldmarktleider in het gebied van reclamedragend stadsmeubilair, ook in Brussel gestart met het verhuren van fietsen. Het Brussels project dat de naam villo - samentrekking van ‘ville’ en ‘velo’ - meekreeg, is het eerste in ons land, maar internationaal al het 17e. In Parijs bijvoorbeeld rijden er na 2 jaar al 20.000 huurfietsen rond en wordt een uitbreiding gepland naar de voorsteden. In het Brussels gewest wordt het project geleidelijk uitgebouwd vanuit het centrum. Momenteel zijn circa 70 fietsstations operationeel in 6 gemeenten (Anderlecht, Sint-Gillis, Sint-Joost, Brussel-stad, Molenbeek en Jette). Eind dit jaar moet de eerste fase afgerond zijn en zullen 2.500 fietsen beschikbaar zijn verspreid over 180 stations en 16 van de 19 Brusselse gemeenten. Na evaluatie komen er in de tweede fase mogelijk nog eens zoveel fietsen bij en wordt het volledige gewest gecovered.
De fietsen kunnen elektronisch gehuurd worden in een van de fietsstations. Deze liggen omwille van de bereikbaarheid gemiddeld op 400 meter van mekaar. De locaties werden gekozen in winkelbuurten zoals het Agora- of het Louizaplein , kantooromgevingen zoals de Europese wijk of plaatsen zoals het Centraal Station. Het eerste half uur kan men gratis over de fiets beschikken. Nadien worden tarieven gehanteerd van een halve euro voor het 2e half uur tot 30 euro voor een jaar. Een maand na de start kochten al meer dan 2.000 personen een jaarabonnement, iets waar Jean-Christophe Mahieu van Villo best tevreden mee is. “Het zal pas helemaal loslopen als we een volledige dienst over de hele stad kunnen aanbieden. Nu al zie je de fiets meer en meer in het straatbeeld”, aldus Mahieu.
Kranten maakten de afgelopen weken melding van het feit dat enkele Brusselse gemeenten problemen maakten onder meer omdat ze geen belasting zouden mogen heffen op de publiciteit die JCDecaux in het kader van dit project maakt. “Het gaat om een detail dat spoedig opgelost zal zijn want we zijn nu wel degelijk bereid om deze taks te betalen en er is natuurlijk geen enkele burgemeester die geen fiets op zijn grondgebied wil hebben. zijn”, aldus Mahieu. Fietsorganisaties uit het Brusselse zijn alvast enthousiast over het project en hielden op 27 mei een protestmanifestatie in Schaarbeek tegen het feit dat deze en enkele andere Brusselse gemeenten het project boycotten.
L.V.
VITO investeert 62 miljoen euro in Balmatt-site
VITO, de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek heeft om verschillende redenen nood aan nieuwe gebouwen. Ten eerste is er de groei die VITO doormaakt: eind 2009 zal VITO ongeveer 600 medewerkers tellen, naast ca. 130 stagiairs. Dan is er ook de fysische scheiding tussen het SCK en VITO, waardoor een aantal VITO-gebouwen in de nabijheid van het SCK dienen ontruimd te worden. Ten slotte is er de wens om de VITO-activiteiten in Mol zoveel mogelijk te groeperen. Op de Balmatt-gronden komen nieuwe laboratoriuminfrastructuur, een nieuw datacentrum en werkplekken voor de VITO-onderzoekers. De laboratoria nabij het milieutechnologiehuis in Mol worden ontruimd en verhuizen naar de Balmatt-site. Daarnaast behoudt VITO het moderne en goed uitgeruste PRODEM-gebouw, de laboratoria van de onderzoeksgroep “duurzame materialen” en de conferentiezaal in Mol met een capaciteit van 450 toeschouwers.
Deze groepering van de onderzoeksactiviteiten rond het Electrabel-terrein moet VITO toelaten om verder te groeien tot meer dan 700 personeelsleden in 2012 én de kern te vormen van een economische activiteit in de Kempen en Vlaanderen rond Cleantech en de noodzakelijke transitie van de huidige economie naar een meer duurzame economie. Hierbij zal de onderzoeksgroep rond energietechnologie verhuizen naar Waterschei waar ze samen met de onderzoeksgroep van het Energie-instituut van de K.U.Leuven en 2 Limburgse Hogescholen, KHLim en XIOS, de kern zullen vormen van een nieuw Vlaams energie-instituut met opleiding, onderzoek en industriële activiteiten, dat op Europese schaal wenst mee te werken aan het baanbrekende onderzoeksproject ‘smart grids’.
Investeringen in Molse regio
De infrastructuurwerken op de Balmatt-site worden op ca. 55 miljoen euro geschat, de inrichting van de gronden en gebouwen zullen een bijkomende 7 miljoen euro vergen. De procedure voor het aanstellen van een architectengroepering voor de nieuwe, energiezuinige VITO-gebouwen is reeds lopende via de Vlaamse bouwmeester. Verwacht wordt dat VITO tegen begin 2013 haar intrek zal kunnen nemen in de nieuwe gebouwen.
Thans loopt op vraag van VITO een studie voor een masterplan voor de hele zone tussen Balmatt en Sas 7 en dit op korte en middellange termijn. Hierin worden naast de VITO-gronden ook de Electrabel-site, het “atoomdorp” en de SCK- en VITO-gronden langsheen het Kempisch kanaal tussen Sas 6 en Sas 7 betrokken. De resultaten van dit masterplan zullen worden meegenomen bij de inplanting en vormgeving van de nieuwe VITO-gebouwen op de Balmatt-site en de algehele streekontwikkeling in dit gedeelte van de gemeente Mol.
De investering bevestigt en versterkt de aanwezigheid van VITO in Mol en benadrukt de stijgende relevantie van het VITO-onderzoek voor Vlaanderen zowel op het vlak van duurzame energietechnologie als op het vlak van Cleantech.
C.J.
Fietsen niet ongevaarlijk
In 2007 deden er zich volgens statistieken van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid in ons land 7.755 ongevallen voor waarbij fietsers betrokken waren. 7.034 fietsers raakten hierbij lichtgewond, 926 zwaargewond en 88 stierven. 12,5 procent van wie sterft of zwaar gewond raakt in het verkeer is een fietser. Bij de 5-9-jarigen is dat 16 procent, bij de 10-14-jarigen 42 procent en bij de 15-19-jarigen 15 procent. Van alle fietsers die sterven of zwaargewond raken in een ongeval vormen de 12-15-jarigen (14 procent) de grootste groep, gevolgd door de 18-24-jarigen (10 procent). Meest risicovol zijn de maanden van mei tot oktober, de periode voor en na schooltijd, de bebouwde kom en kruispunten. Al deze gegevens zijn gezien de onmiskenbare toename van het aantal fietsers onrustwekkend, te meer daar onderzoek bij spoedgevallendiensten wijst op een onderregistratie van fietsongevallen.
Omdat 10- tot 14-jarige fietsers meest risico lopen op een ongeval ontwikkelde KUL-hoogleraar Jan Pauwels voor deze groep het interactief online leerprogramma www.kijkuitopdefiets.be. Net als bij bromfietsers of autobestuurders is het risico op ongevallen immers het grootst in de beginperiode dat fietsers zich zelfstandig in het verkeer begeven. “Het verkeersgeheugen is op dat moment nog te beperkt waardoor het inschatten van risico’s zwak is en de gevaarherkenning beperkt. Leren gevaar herkennen en anticiperen doet men best in het echte verkeer, maar is ook mogelijk in oefensituaties met bewegende beelden”. Volgens Pauwels zou 50 procent van de verkeersongevallen kunnen vermeden worden door beter te anticiperen op mogelijke gevaarssituaties. Eerder ontwikkelde hij al een oefenprogramma voor jonge fietsers in de omgeving van scholen.
De staat en de aard van het fietspad vormt een ander belangrijk risico op ongevallen. Heel wat ongevallen gebeuren met langsrijdende wagens. Dat risico is groter als er geen vrijliggend fietspad aangelegd is. De slechte staat van het fietspad was in 2007 83 keer oorzaak van een letselongeval met fietsers. Onderzoek wijst ook op een verband tussen de staat van de fietspaden en het gebruik dat ervan gemaakt worden om naar school te fietsen. Dat het fietscomfort op Vlaamse fietspaden te wensen overlaat bleek onlangs nog uit een onderzoek door de Fietsersbond van meer dan 1.400 km fietspaden in 31 gemeenten en steden. De gemiddelde quotering voor het trillingscomfort bleef onder 5/10. De breedte van het fietspad scoorde gemiddeld 5,2/10 en de afstand ten opzichte van de rijbaan 6,5/10. De quoteringen per fietspad waren zeer uiteenlopend.
L.V.
Meer babysterfte door fijn stof
(Foto: Prof. Benoit Nemery - KUL)Vervuilingspieken van fijn stof gaan gepaard met een beduidend hogere sterfte bij zuigelingen. De meest significant toename doet zich voor bij zuigelingen van 1 week tot 1 maand oud. Bij een stijging van de PM10-concentratie tot 10 microgram per m³ stijgt het sterfterisico voor deze zuigelingen met 5 procent. Als er meer dan 50 mg in de lucht zit - deze grens mag volgens de EU slechts 35 keer per jaar overschreden worden - stijgt het sterfterisico zelfs met 11 procent. Ook bij jongere en oudere baby’s tot 1 jaar oud zijn er overschrijdingen maar niet uitgesproken.
Dat blijkt uit een studie door Prof. Benoit Nemery van de onderzoekseenheid Longtoxicologie van de K.U.Leuven en zijn collega’s van het onderzoeksteam Parhealth. Zij bekeken de sterftecijfers van baby’s van jonger dan 1 jaar voor de periode 1998 tot 2007. Eerder concludeerden deze onderzoekers al dat er in de periode 1997-2004 jaarlijks 630 Vlamingen vroegtijdig sterven. Uit Europese studies blijkt dat de aanwezigheid van fijn stof in de lucht de Vlaming tot 3 gezonde levensjaren kostte in 2000. “We vinden het normaal dat eieren in de supermarkt niet vervuild zijn met dioxines, voor de luchtkwaliteit zitten we blijkbaar nog niet zover,” aldus Nemery in De Morgen.
Fijn stof is een verzamelnaam voor bijzonder kleine stofdeeltjes - hoe kleiner, hoe gevaarlijker - die zware metalen, roet, dioxines, asbest of dergelijke bevatten. Ze werken in op luchtwegen en liggen aan de basis van hart- en vaatziekten. Fijn stof vormt van de courant voorkomende luchtvervuilende stoffen de grootste bedreiging voor onze gezondheid. n Vlaanderen werd dit jaar al in 11 meetposten meer overschrijdingen dat Europese norm toelaat. Verkeer is goed voor één derde van de emissie van fijn stof. Afhankelijk van plaats en weersomstandigheden is echter slechts 5 tot 30 procent van de fijn stof concentratie in Vlaanderen afkomstig uit Vlaanderen zelf.
L.V.
Zonne-energie te huur
Sunlabob zaakvoerder Andy Schröter (foto KM).
In België vond de fijnmazige uitbouw van het elektriciteitsnet zowat een eeuw geleden plaats, op basis van privé-initiatief en uit notabelen samengestelde gemeentelijke comité’s, met een ruggensteuntje van het gemeentebestuur. Nu doet Sunlabob opnieuw een beroep op plaatselijke notabele autoriteiten, in ontwikkelingslanden. Momenteel is het vooral in Laos actief.
De meeste plaatselijke bewoners beschikken er over onvoldoende financiële middelen om fotovoltaïsche of hydro-elektrische microcentrales te kopen. Ze huren ligt wel in hun bereik, maar dit brengt voor de eigenaars een enorm economisch risico met zich mee. Want de huurder kan sterven, beroofd worden, met de noorderzon verdwijnen… of gewoon zeggen dat hij niet kan betalen. “Die risico’s verdwijnen wanneer we de contracten niet afsluiten met individuele afnemers, maar met hele dorpsgemeenschappen. Het is de dorpsgemeenschap die dan solidair een oplossing moet vinden indien één of meer van haar leden problemen ondervindt om de huur te betalen,” zegt zaakvoerder Andy Schröter.
De dorpsgemeenschap betaalt alle kosten. Sunlabob stelt haar een aantal door zonne-energie aangedreven laadstations ter beschikking. Daarmee kunnen de dorpsbewoners hun radio’s, GSM’s, laptops enz…, maar vooral hun draagbare lantaarns opladen. Sunlabob stelt ook deze lantaarns ter beschikking.
Tevoren was de energiebron vooral kerosine, gezuiverde petroleum. Een fossiele en bovendien over grote afstanden te transporteren brandstof. “Elke lantaarn heeft een ingebouwde chip. Onze experts kunnen bij het controleren van de laadstations perfect zien welke lantaarns aan welk station zijn opgeladen en in welke staat de lantaarns en laadstations verkeren. Bovendien kunnen we zo data verzamelen over het verminderde petroleumverbruik. Dit kan later meespelen bij onderhandelingen over de toekenning van CO2-certificaten.”
De huurprijzen die Sunlabob hanteert zijn vergelijkbaar met de aankoopkosten voor de kerosine. “Geen van onze klanten is in staat om onze apparatuur aan te kopen, maar huren ligt wel in hun mogelijkheden. Bovendien stimuleert deze technologie het organisatorisch en langetermijndenken. Een zonnestation heeft een beperkte, maar permanente capaciteit. Heel wat dorpsbewoners die kerosine aankochten verbruikten wat ze hadden kunnen kopen tot het op was en zaten daarna in het donker.” De lantaarns zijn na elke oplaadbeurt goed voor tien branduren. Dat brengt al een zekere spreiding van het energieverbruik met zich mee, omdat het dorpscomité in principe bepaalt wie wanneer mag heropladen.
K.M.

ARGUS brengt voortaan dagelijks nieuws uit binnen- en buitenland