Rijkdom gebouwd op afscherming van landbouw

Nog altijd leeft vrijwel de helft van de wereldbevolking op het platteland. Nog altijd werken vier op tien mensen als landbouwers of landbouwsters en is dat het meest beoefende beroep.
Dan kan de landbouweconomie cijfermatig onooglijk lijken in de ogen van vele mensen in rijke landen. Maar ze is en blijft van levensbelang. Voor iedereen trouwens, want eten moeten we allemaal doen, het levert onze energie zonder dewelke we niet kunnen leven.
En zeker voor de allerarmsten. Want van de 865 miljoen mensen de honger hebben, zijn er 600 miljoen zelf boer. En voor 2,5 à 3 miljard mensen is het hun economisch bestaan.
Het is waar dat de markteconomie veel welvaart kan creëren. Maar wat we veel te weinig beseffen: als het over landbouw gaat, creëert ongeremde vrije markt en globalisering chaos. Puur economisch vormen voedsel en landbouwproductie een uitzondering waarbij markten onvoldoende goed werken, zeker niet de wereldmarkt die altijd naar de onleefbare laagst mogelijke prijs duwt. Het spijtige resultaat is altijd toenemende armoede en economische achteruitgang in de meeste plattelandsgebieden op aarde. Zo ruïneert de markteconomie het leven van talloze mensen en creëert honger.
Voedsel en landbouw zijn om tal van redenen – economisch, ethisch, politiek, humanitair, cultureel, zelfs strategisch… - een goed dat je niet volledig uitlevert aan de grillen en grollen van de markt, zeker niet de wereldmarkt. Het is trouwens opvallend dat alle rijke landen hun landbouw afschermen en beschermen, en het belet hen niet om welvarend te zijn. Meer nog, alle rijke landen hebben hun welvaart opgebouwd en hebben zich geïndustrialiseerd op basis van een productieve landbouw en een platteland dat niet aan zijn lot werd overgelaten maar de eerste afzetmarkt vormde voor de nieuwe fabrieken.
Indien wij op deze wereld voldoende voedsel willen, voedsel dat tevens veilig is om te eten, milieuvriendelijk ook, dus op duurzame wijze voortgebracht, met behoud van de cultuurlandschappen en met respect voor de plattelandstradities, dan moeten wij de landbouw respecteren. Dan moeten wij die landbouw vooral organiseren en beschermen binnen de Europese markt, binnen de Westafrikaanse, de Zuidamerikaanse, Zuidaziatische en andere regionale markten. Want denk vooral niet dat Toscane of Dordogne, streken die vele mensen heel aantrekkelijk vinden, mogelijk zouden zijn in een volledige vrije wereldlandbouwmarkt. Dan moeten de boeren op die regionale markten een leefbare prijs krijgen voor hun producten. Dan moeten ze fatsoenlijk vergoed worden voor alle prestaties die ze leveren voor de ruime samenleving en het milieu.
Hier wringt echter het schoentje. Mag dat wel? Mag dat van de Wereldhandelsorganisatie? Mag dat onder bestaande en toekomstige vrijhandelsakkoorden? Amper of zelfs niet. Maar dan zijn dit allemaal redenen om landbouw niet toe te vertrouwen aan de Wereldhandelsorganisatie of andere vrijhandelsakkoorden.
Er is nog meer. We moeten allemaal kiezen. Geven we vrij spel aan een mondiale industriële landbouw die de machtsgreep ondergaat van de grootdistributie? Of geven we voorrang aan een familiale landbouw die vooral lokaal en regionaal is en die een paar miljard mensen opnieuw levenskansen geeft doordat ze een eerlijke prijs krijgen voor hun werk, en doordat ze de productie, verwerking en distributie meer zelf in handen nemen of er minstens meer greep op krijgen? Samenleving, consumenten en boeren hebben er alle belang bij om samen te ijveren voor deze leefbare en duurzame landbouw.
Dirk Barrez
Dirk Barrez is de auteur van de filmdocumentaire Koe 80 heeft een probleem en van het gelijknamige boek dat midden september verschijnt – meer informatie op http://www.pala.be/
Milieubewuste parlementsleden bereiden G8 top voor

Vlak voor de top van de G8 in Berlijn komen dit weekend (2-4 juni) in dezelfde stad de leden van Globe (Global Legislators Organisation for a Balanced Environment) International samen. Het doel van deze organisatie bestaat uit het vergemakkelijken van dialogen op hoog politiek niveau over ecologische sleutelthema’s. Deze dialogen worden geleid door parlementsleden, maar er worden eveneens vooraanstaande zakenmensen bij betrokken. Ze zijn erop gericht om regeringen en leidinggevende personen uit de privé-sector aan te zetten tot actie.
Als wetgevers worden parlementsleden niet gehinderd door de formele aspecten van gesprekken tussen regeringen. In eigen land kunnen ze hun regering rekenschap vragen over het nakomen van de internationale engagementen die ze op zich namen. Globe streeft ernaar om parlementaire groepen te vormen in alle landen. De organisatie wil buiten de partijpolitiek staan en aanvaardt daarom slechts ‘fracties’ van minstens tien parlementsleden, samengesteld uit huidige parlementsleden van de belangrijkste partijen. Het moeten altijd om minstens twee partijen gaan.
Tijdens het Berlijnse Forum nemen de leden van de Duitse Bundestag het voorzitterschap waar. Het is de derde bijeenkomst van de G8+5 Climate Change Dialogue en de eerste van de G8 Illegal Logging Dialogue (illegale houtkap). De G8 + 5 omvatten niet alleen vertegenwoordigers van de G8, dat zijn de zeven rijkste Westerse landen en Rusland, maar ook van de ‘5’, de vijf snelst groeiende ontwikkelingslanden (China, India, Brazilië, Mexico en Zuid-Afrika). De thema’s zijn schone technologieën, ontbossing en het kader voor de post 2012-klimaatovereenkomsten. In principe wordt er een gezamenlijke verklaring opgesteld, die dan enkele dagen later aan de G8 wordt voorgelegd. Tegen de volgende G8, in 2008, zouden er praktische voorstellen op tafel moeten liggen om de illegale houtkap tegen te gaan. De wereldleiders beschouwen het Forum niet als iets marginaals, want zowel de Britse premier Tony Blair als de Duitse bondskanselier Angela Merckel maken er deze keer hun opwachting.
K.M.
3 kg minder restafval per Vlaming in 2006

De Vlaming produceerde in 2006 gemiddeld 149 kilo restafval. Dat is 3 kilo minder dan het jaar voordien. Dat blijkt uit cijfers van Interafval, het samenwerkingsverband tussen de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten en de Vlaamse afvalintercommunales. Restafval is afval dat niet meer hergebruikt of gerecycleerd kan worden. Het gaat vooral om de zak met het restafval die men buiten zet, het grof vuil dat burgers naar containerparken brengen of aan huis wordt opgehaald, het afval uit openbare vuilnisbakjes en het residu uit de PMD-zak.
De best scorende afvalintercommunale is de Intercommunale voor Huisvuilverwerking en Milieuzorg Durme-Moervaart (IDM) met 102 kilo restafval per inwoner (-1 in vergelijking met het jaar voordien), gevolgd door het Leuvense Ecowerf en de Intercommunale Vereniging Land van Aalst (ILVA) met 11 kilo (+1 en - 5). Slechtst scoren de intercommunales aan de kust zoals Knokke-Heist (208 kilo) en IVOO (201). Van de circa 30 afvalintercommunales in Vlaanderen deden er 6 slechter dan vorig jaar. De grootste stijger was Haviland uit Halle-Vilvoorde (+6 tot 179 kilo), de grootste daler was de Intercommunale Vereniging voor Huisvuilverwerking Midden-Waasland (MIWA) (-28 tot 179 kilo).
De daling van het restafvalcijfer is volgens de VVSG te danken aan het feit dat elke gemeente of intercommunale het afvalbeleid binnen het wettelijke kader kan organiseren zoals hij dit wil, wat maatwerk mogelijk maakt. Daarnaast heeft samenwerking in afvalintercommunales de evolutie naar een professioneel en vooruitstrevend afvalbeleid mogelijk gemaakt en nemen de lokale besturen verder initiatieven op vlak van preventie.
L.V.
Warmterecords blijven sneuvelen

(Foto: Brabantse Milieufederatie)
Na de herfst van 2006 en de winter 2006-2007, die de vorige temperatuurrecords voor herfst en winter van de tabellen veegden, ziet het er volgens het KMI naar uit dat ook de lente van 2007 de warmste lente zal worden sinds het begin van de metingen te Ukkel in 1833. Tijdens de voorbije herfst bedroeg de gemiddelde temperatuur 13,9° C, terwijl de normale temperatuur 10,4° bedraagt, tijdens de voorbije winter was dat 6,6 en 3,1°.
De warmste lente - het gaat over de maanden maart, april en mei - was tot dusver deze van 1993 met een gemiddelde temperatuur van 11,2°. In maart dit jaar bedroeg de gemiddelde temperatuur 8°, terwijl de normale waarde 5,5° bedraagt. In april was dat 14,3° en 9°. Ook mei is tot nu toe erg zacht. De gemiddelde temperatuur ligt voorlopig (stand van zaken op 23 mei) 1,5° hoger dan de normale temperatuur. De voorspellingen voor de komende dagen wijzen op hoge temperaturen die kunnen aanhouden tot eind mei.
Indien deze voorspellingen bewaarheid worden zal de gemiddelde temperatuur van de lente 2007 oplopen tot meer dan 12°. Dat is een graad meer dan het vorige record van 1993 en bij benadering 3° hoger dan de normale gemiddelde temperatuur voor dit seizoen (9,1°). Een derde opeenvolgende recordseizoen is volgens het KMI zeer opmerkelijk.
L.V.
Ontwikkelingslanden hoogste toename CO2-uitstoot

Volgens het Amerikaanse vakblad Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS) is de CO2-uitstoot van 2000 tot 2004 wereldwijd jaarlijks met 3,1 procent toegenomen. Dat is drie keer zo snel als in de jaren ‘90. De toename toen bedroeg toen nog slechts 1,1 procent per jaar. Het vakblad spreekt van een alarmerende stijging die het gevolg is van een toename van het energiegebruik en van het gebruik van koolstof bij de energieopwekking.
Ondanks de alamerende berichten over het feit dat koolstofdioxide het klimaat aantast en voor opwarming zorgt is er nog steeds geen sprake van een daling van de uitstoot van broeikasgassen. Dat is noch in de ontwikkelde noch in de ontwikkelingslanden het geval. De toename sinds 2000 doet zich echter vooral in ontwikkelingslanden als China. Ontwikkelingslanden waren in 2004 samen goed voor 40 procent van de werelduitstoot, maar namen wel 73 procent van de wereldwijde toename van de uitstoot voor hun rekening.
L.V.
In Turnhout ‘brandt’ de lamp

Tijdens een persconferentie in zijn fabriek annex onderzoekscentrum in Turnhout heeft Philips een nieuw gamma energiebesparende verlichtingsoplossingen voorgesteld die het energieverbruik en de CO2-uitstoot fors terugschroeven. Het gaat om verlichting voor straten, winkels, horeca, kantoor- en industrieruimten. Van de 2 miljard in 2005 in de Europese Unie verkochte gloeilampen wordt bijna driekwart gebruikt in woningen. Het vervangen van deze gloeilampen door in aankoop duurdere, maar wel energiezuinige verlichtingstechnologieën kan sterk bijdragen tot het behalen van de Kyotodoelstellingen.
De verlichtingsproducent wijst erop dat de huishoudens misschien wel meer gloeilampen bevatten, maar dat de grootste besparingen en de kortste terugverdientijden te realiseren zijn met winkel-, horeca-, kantoor- en straatverlichtingen. Want deze verlichting blijft doorgaans veel langer ingeschakeld dan bijvoorbeeld een slaapkamerlamp. Momenteel maakt bijna een derde van alle straatverlichtingsystemen in Europa nog gebruik van oudere, energie-inefficiënte HPL-kwikdamplampen. Deze achterhaalde technologie resulteert ook in hogere bedrijfskosten, wegens hun kortere levensduur en de arbeidsuren voor hun vervanging. Bovendien brengt straatverlichting op basis van deze oudere technologie licht voort met een zwakke kleurweergave, terwijl er vandaag gestreefd wordt naar straten die ook ’s avonds natuurlijk en gezellig aandoen.
De verkoop van ‘duurzame’ producten van Philips overschreed in 2006 de kaap van de 4 miljard euro. Dat is het resultaat van een investering, gespreid over vijf jaar, van meer dan 400 miljoen euro, in milieuvriendelijke verlichtingstechnieken. 175 miljoen daarvan ging naar het Turnhoutse onderzoekscentrum.
Volgens Philips, wereldmarktleider in verlichting, kan het massaal overschakelen op nieuwe verlichtingstechnologie enorme energiebesparingen opleveren. Alleen zal het bij de huidige snelheid van omschakelen nog meer dan dertig jaar duren voor de volledige financiële en milieuvoordelen gerealiseerd zijn. Dat is te langzaam. Philips staat klaar om met de overheid gesprekken te beginnen over een tijdschema voor een algemeen opgelegde overschakeling van gloeilampen naar spaarlampen. Op die manier wordt de markt uiteraard ook moeilijker voor concurrenten die nog niet zover staan.
K.M.
Oogjes open

Shell organiseerde nogal wat persconferenties, waarop het zijn beleid toelichtte. Het wil zich sterk op oliewinning blijven toeleggen en het research hierover strategisch in eigen huis houden. Shell schat dat de beschikbare olievoorraden nog ruim voldoende zijn, maar dat ze meer en meer ontgonnen moeten worden op moeilijk toegankelijke plaatsen of in technisch moeilijke lagen. Een van de mogelijkheden om meer olie op te pompen, ook met volgens klassieke technieken als uitgeput beschouwde velden, is het injecteren van C02 in de bodem. De opslag van CO2 is eveneens een belangrijk aandachtspunt, maar die technologie wil Shell niet noodzakelijk volledig in eigen huis houden. Het verkoopt al langer CO2 uit raffinaderijen aan frisdrankenproducenten en de eerste resultaten van experimenten met C02 in plantenserres zijn hoopvol. Daarnaast is er de ontwikkeling van bouwproducten. C-Fix is een bindmiddel voor beton, op basis van reststoffen uit het raffinageproces. Het is al succesvol gebruikt in de pier van IJmuiden. Het fixeert niet alleen cO2, maar ook zwavel én voorkomt de uitstoot van C02 bij de productie van het klassieke beton dat het hier vervangt. Daarnaast wordt er hard gewerkt aan het nabootsen, in versneld tempo, van de natuurprocessen die op duizenden jaren tijd leiden tot het ontstaan van kalksteen (CaCO3). Daarmee maakt Shell zijn logo erg waar. Want kalksteen ontstaat uit de samengeperste schalen van schelpdieren, die zelf hun schelp opbouwden door het opnemen van C02 uit hun omgeving.
Klimaatverandering kan worden afgeremd

Het IPCC, het intergouvernementeel pannel over klimaatwijziging van de VN, heeft in haar pas goedgekeurde rapport aangegeven dat een klimaatramp alsnog kan worden afgeremd. Uiterlijk tegen 2015 moet hiertoe de globale CO2-uitstoot wereldwijd beginnen te dalen en tegen de helft van de eeuw moet deze afgenomen zijn met 60 tot 80 procent. Er moeten hiertoe minder fossiele brandstoffen worden gebruikt, de ontbossing dient te worden teruggedrongen en er moet ook efficiënter worden omgegaan met brandstof. Door gebruik te maken van reeds gekend technologieën kan dit worden bereikt. Het WWF voegde daar vandaag aan toe dit zelfs kan met enkel milieuvriendelijke en duurzame energiebronnen en technologieën.
In haar eerste rapport bevestigde het IPCC dat de mens een onomkeerbare invloed uitoefent op het klimaat en in het tweede werden de dramatische gevolgen van de klimaatverandering uit de doeken gedaan. Het derde rapport boog zich over de te nemen maatregelen om de opwarming te beperken tot 2 graden in vergelijking met de pre-industriële tijdperk. Het rapport moet de weg effenen voor een internationaal akkoord over het tegengaan van het broeikaseffect dat verder gaat dan het in 2012 aflopend Kyoto-protocol. Het stabiliseren van de klimaatverandering zal tussen 0,2 en 0,3 procent van de wereldwijde rijkdom kosten tegen 2030. De kosten variëren tussen een groeivertraging van 3 procent en een groeiversnelling van 0,6 procent.
Omstreden was het standpunt van het IPCC om kernenergie als optie open te houden. Federaal Leefmilieuminister Bruno Tobback reageerde meteen afwijzend. “Het kan niet dat we een milieuprobleem van vandaag gaan aanpakken door met kernafval een nieuw probleem te creeëren voor de volgende generaties”. In een rapport stelt het Wereldnatuurfonds WWF dat het technisch mogelijk is om aan de toekomstige vraag naar energie te voldoen door enkel milieuvriendelijke en duurzame energiebronnen en technologieën te gebruiken. Binnen de vijf jaar moeten er hiertoe voldoende cruciale maatregelen genomen worden…
L.V.
Traag, maar zuinig

3.039 kilometer. Dat is de afstand die de wagen van de Franse hogeschool St-Joseph uit La Joliverie kan overbruggen met 1 liter benzine. In theorie althans. Want een ritje op een strook vlak, onbeschadigd asfalt is nog wat anders dan een werkelijke wegsituatie. Bovendien zijn de prototypes nogal oncomfortabel, smal en traag. Een niet overdreven geoefende fietser kan ze gemakkelijk bijhouden. Die fietser houdt het misschien geen 3.039 kilometer vol, maar ook de bestuurders ecowagens moeten het niet zolang volhouden. Een beperkt aantal rondjes op het circuit van Nogaro volstaat. De inhoud van de uitneembare tank wordt voor en na de rit gemeten. Op basis daarvan worden de kilometers per liter berekend.
La Joliverie gebruikte een motor op klassieke benzine. De eerste LPG-gebruiker eindigde op de vierde plaats (2.103 km), de eerste dieselwagen als negende (1.545 km) en de eerste verbruiker van biobrandstoffen als tiende (1.517 km). De wagens met waterstofcellen kregen een afzonderlijke rangschikking. De winnaars, uit Nantes, waren goed voor 2.797 km. De prestaties van de wagens met zonnecellen kunnen uiteraard niet in een rangschikking op basis van literverbruik worden opgenomen en er ook niet rechtstreeks mee worden vergeleken.
De resultaten van de meer comfortabele ‘urban concept’ wagens staan dichter bij de realiteit. Die wagens kregen in tegenstelling tot de prototypes drie pitsstops opgelegd. Hier zorgden waterstofcellen (557 km voor de combinatie Haagse Hogeschool - Rijswijk Academie) voor het gunstigste resultaat. De beste verbrandingsmotor, die van het Deense Lyngby (306 km) werd aangedreven door biobrandstof.
Waar het bouwen en afstellen van de wagens nog altijd een overwegend mannelijke aangelegenheid is, lijkt dit al minder het geval voor het ontwerpen van de carrosserie én, nog veel minder voor het besturen van de wagen zelf. Dit heeft niet zozeer te maken met stuurvrouwskunsten, dan wel met lichaamsgewicht. Het reglement voorziet dat de piloot of pilote minstens 50 kg moet wegen. Is dat niet het geval, dan plaatst Shell extra ballast in de wagen. Dit voorkomt wellicht anorexiatoestanden in sommige deelnemende scholen.
De Shell Eco-marathon is, zelfs met opgelegde minimum of gemiddelde snelheden, een wedstrijd voor zuinig verbruik. Of een wagen uit houtvezelplaten, rotan en touwen of één uit met epoxy verharde zijde wel stevig genoeg is om veilig te zijn is hier niet van belang. Net als het aantal decibels dat hij veroorzaakt. Sommige ecowagens reden geruisloos voorbij, andere oorverdovend.
K.M.
Jaarnorm fijn stof nu reeds overschreden

Foto: BRAL vzw
Op tal van plaatsen in ons land is het maximum aantal keren per jaar dat de norm voor fijn stof mag overschreden worden nu al gehaald. Dat blijkt uit de metingen van de intergewestelijke cel leefmilieu (http://www.irceline.be/). De EU richtlijn 1999/30/EG legt de daggrenswaarde van PM10 op 50 microgram/m3. Deze waarde mag per jaar slechts 35 keer overschreden worden. Vorig jaar werd deze norm in de 52 meetstations van deze dienst verspreid over het land op 22 plaatsen overschreden.
We zijn nog maar pas in mei en dit jaar is de norm al op 11 plaatsen overschreden. Dat was het geval in Marchienne-Au-Pont (72 overschrijdingen), Roeselare (43), Sint-Kruiswinkel (41), Bergen (39), Jemeppe-sur-Meuse (38), Ruisbroek (37), Oostrozebeke, Charleroi, Gent, Antwerpen-Boudewijnsluis en Zwevegem (36). De overschrijding van de norm gebeurt meestal op warme dagen. Om het fijn stof te beperken werd recent voor het eerst een snelheidsbeperking ingevoerd op Vlaamse autosnelwegen, Dit is voor de Bond Beter Leefmilieu onvoldoende. Deze milieuorganisatie pleit voor een permanente snelheidsverlaging, een ’slimme kilometerheffing’ en het opbergen van de plannen voor de aanleg van nieuwe wegen.
Ook de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) maande vorig in een rapport België aan meer inspanningen te leveren om de uitstoot van fijn stof aan te pakken. Deze in de lucht zwevende deeltjes kleiner dan 10 micrometer zijn erg schadelijk voor de gezondheid. Langdurige blootstelling kan leiden tot voortijdig overlijden. Ziekten die kunnen ontstaan of verergeren door fijn stof zijn hart- en longziekten, bronchitis en astma. 73 procent van dit fijn stof is afkomstig van het verkeer. Vooral dieselmotoren en het zware transport worden met de vingers gewezen.
L.V.
Limburgse ecowagenbouwers houden vol
Ondanks veelal maandenlange voorbereidingen en veel praktische ervaringen, slagen heel wat ecologische wagens er niet in om een geldige prestatie neer te zetten. Sommige hebben moeite met de verplichte minimumsnelheid, andere met het minimum aantal afgelegde rondjes, nog andere krijgen hun motor helemaal niet aan de praat. Zelfs de universiteit van Luik, één van de meest ervaren Belgische deelnemers, moest haar UrbanConcept-wagen noodgedwongen uit de wedstrijd halen… aan de startlijn. De eerste Luikse wagen, het prototype op waterstofcellen, blijft wel meerijden. Van de stadswagen, die hier voor het eerst werd ingezet, werden hier geen speciale prestaties verwacht… behalve dat hij de vereiste afstand kon afleggen. Toch zijn hier nergens sporen van ontmoediging zichtbaar.
De enige Vlaamse wagen nog in de race is die van Sint-Lodewijk Genk. In de tussenstand staat hij net bij de eerste helft, van de wagens die erin slaagden een prestatie te laten registreren. Dat is vrij indrukwekkend, want Sint-Lodewijk is een middelbare school, terwijl de toon hier wordt gezet door universiteiten en hogescholen. “We zijn wel de school met de grootste garage-afdeling van heel Limburg,” aldus ploegleider Herbert Nickmans, die al voor de vierde keer deelneemt aan de Eco-marathon. “Voor heel wat leerlingen van het laatste jaar maakt dit project deel uit van hun geïntegreerde proef. We werken er ook tijdens de lesuren aan. De leerlingen van het voorlaatste jaar zijn bij de voorbereidende werken betrokken. Zo weten ze al waar ze volgend jaar voor staan. Maar eigenlijk werkt heel de school aan het project mee. Het is wel de afdeling automechanica die de coördinatie doet en de knopen doorhakt.” De Limburgse school hecht veel belang aan de deelname aan de Shell Eco-marathon. Ze kan zich ermee profileren, maar misschien nog belangrijker is dat de leerlingen hier leren om zelf over problemen na te denken en ze op te lossen, in plaats van uitsluitend en blindelings opgelegde taken uit te voeren.
De Limburgse leerlingen voelen zich goed op hun gemak in het internationale gezelschap. Ook al zitten ze niet in een richting met veel taallessen, de contacten met de andere teams verlopen gemakkelijk. Want de Limburgse leerlingen automechanica hebben zelf een totaal verschillende achtergrond. Sommigen van hen hebben Italiaanse roots, anderen Turkse, Noord-Afrikaanse of Oost-Europese. Kortom, er is altijd wel iemand die als tolk kan optreden.
K.M.
Geen geluk voor Gentenaren
Het zit het Energy Team van de Hogeschool Gent niet mee. Nadat de Gentse wagen vrijdag tijdens een oefenrit tegen zowat 30 km/uur uit de bocht vloog, moest hij zaterdag definitief de baan ruimen. De vrijlooplager van de achteras had het begeven. Een reserve-exemplaar was niet voorhanden, ook niet bij de andere deelnemers en evenmin bij de plaatselijke handelaars. De Gentse Hogeschool komt wel in de einduitslag voor, maar kan haar positie niet meer verbeteren. Ze legde omgerekend naar een liter benzineverbruik de afstand van 699 km af, een flink pak minder dan het teamrecord van 1.367 km. Intussen kunnen de andere ecoraceteams in nieuwe ritten hun prestaties verder verbeteren. Met hun eerdere 1.367 km blijven de Gentenaren wel Belgische recordhouders in de dieselklasse. Ze hebben met 267 km/liter trouwens ook het nationaal record met PPO (puur plantaardige olie) op hun naam staan.
“Ondanks het uitvallen van de wagen kunnen we toch terugkijken op een mooie voorbereidingsperiode,” zeggen Bruno Vermeersch – die jaren geleden het team stichtte – en Andreas Verheye, die nu als woordvoerder optreedt. “Het project kadert in de eindwerken van diverse studenten industrieel ingenieur elektro-mechanica. We nemen al tien jaar deel aan de Eco-marathon en aan soortgelijke wedstrijden. In 2008 zijn we er zeker opnieuw bij. Met een gloednieuwe wagen. Nu reden we nog met klassieke dieselolie. Volgend jaar willen we het met biobrandstoffen proberen. Bovendien gaan we veel meer werk maken van de aërodynamica. Nu is alleen de bovenkant van ons prototype aërodynamisch gevormd. Volgend jaar zal dat ook het geval zijn voor de onzichtbare onderkant. Bovendien gaan we de wagen vooraf testen in een windtunnel. Waarschijnlijk kunnen we daarvoor terecht bij de Technische Universiteit Delft of de Vrije Universiteit Brussel.”
Zelfs met de bescheiden uitslagen blijven de Gentenaren hun komst naar deze Eco-marathon positief evalueren. “Niet alleen wegens de eindprojecten van de studenten. Ook omdat we hier gemakkelijk goede internationale contacten kunnen leggen met gelijkgestemde mensen uit heel de wereld. Niemand houdt angstvallig zijn eigen vorderingen verborgen voor de ‘concurrentie’. Integendeel, er heerst een grote openheid. We wisselen veel informatie en praktische ervaringen met elkaar uit. Met diverse ecoraceteams, onder meer in Finland, Japan en Canada, communiceren we ook tijdens de rest van het jaar, vooral via e-mail.”
K.M.
Vlaamse ecorunners voor Nederland
Uiteindelijk zijn er 257 teams verschenen aan de start van de jaarlijkse Shell Eco-marathon op het Paul Armagnac-circuit in Nogaro. VIP-genodigden, pers en mensen van de organisatie zelf zijn ondergebracht in hotels, B&B’s en chambres d’hôtes tot kilometers ver in de omtrek. De deelnemers zelf hebben traditiegetrouw hun tenten opgeslagen in een groot tentenkamp. De milieuvriendelijke wagens en technische infrastructuur zijn eveneens in tentjes ondergebracht, niet op het kampeerterrein, maar vlakbij de paddock. De deelnemende hoogstudenten hebben doorgaans al wat internationale ervaring opgebouwd, maar voor de leerlingen uit het middelbaar onderwijs is het nog even wennen aan de internationale omgeving. Voor velen van hen is het de eerste keer dat ze aan een dergelijk evenement deelnemen. Op en naast de racebaan is iedereen nog met het project van zijn eigen school bezig, maar tijdens de zwoele avonden komt er wel wat internationale verbroedering tot stand.
“Hier deelnemen is een mooi initiatief om meer belangstelling te kweken voor een technische opleiding,” zegt Dante Rogist uit Zelzate. “Maar voor een middelbare school is het onbegonnen werk om voor een rangschikking mee te dienen. Hogescholen en universiteiten kunnen op veel meer faciliteiten en achtergrondkennis terugvallen.” De Oost-Vlaming is zelf de oprichter van het Ecorunner-team van de Technische Universiteit Delft. In Nogaro zijn dit jaar slechts twee Vlaamse teams present, uit Genk en Gent, maar het Delftse team bestaat voor de helft uit Vlamingen. Bovendien, al is dit puur toeval, is slechts die Vlaamse helft hier aanwezig. “Delft is de enige plaats in Europa waar je een volledige opleiding tot ‘aerospace’ ingenieur kan volgen. De studentenpopulatie in die richting is dan ook sterk internationaal getint, met zowat 10% Belgen. Afgestudeerden ervan kunnen overal aan de slag, zowel bij vliegtuigbouwers als in de automobielwereld of zelfs in de banksector.” De meeste leden van het Delftse Ecorunner-team leggen zich op specifieke aspecten toe: het optimaliseren van de motor, de rolweerstand, de rijstrategie enz.
“Vorig jaar slaagden we erin om met onze Ecorunner 1 met een liter benzine 557 kilometer af te leggen. Dit jaar willen we met deze intussen verder geperfectioneerde wagen nog beter doen. Intussen zijn we volop de Ecorunner 2 aan het ontwikkelen. Die wordt opgebouwd uit koolstofvezel en krijgt een zestaktmotor.”
K.M.
Shell Eco-marathon in Nogaro
Van vrijdag 11 tot zondag 13 mei strijden meer dan 3.000 studenten uit 20 landen voor de ereplaatsen van de Shell Eco-marathon op het racecircuit van Nogaro, in de Franse Armagnacstreek. De 250 deelnemende teams gaan er de uitdaging aan om met 1 liter brandstof een zo groot mogelijke afstand af te leggen. Het gaat om een brede waaier aan klassieke, maar vooral alternatieve brandstoffen. Sommige teams kiezen voor andere energiebronnen, zoals fotovoltaïsche cellen. Voor hen bestaan er afzonderlijke rangschikkingen, zonder literverbruik. In de rangschikkingen wordt er tevens een onderscheid gemaakt tussen prototypes en ‘Urban Concept’-voertuigen. Die laatste hebben niet het aërodynamische profiel van een racewagen, maar een eerder alledaags design.
Dit jaar zijn er twaalf Belgische teams ingeschreven, overwegend uit Wallonië en Brussel. Vorig jaar eindigde een team uit Henegouwen als 6de op 43 middelbare scholen en de Universiteit Luik als 9de op 97 universiteiten en hogescholen.
De ambities verschillen sterk van team tot team. Vooral middelbare scholen nemen aan deze manifestatie deel om hun leerlingen praktische ervaring bij te brengen, met een internationaal snuifje. De hogescholen en universiteiten proberen hier te scoren met hun eigen onderzoek en ontwikkeling. De meest ambitieuze onderwijsinstellingen hanteren een multidisciplinaire aanpak. Naast hun energiedeskundigen zetten ze hiervoor designspecialisten in, die dank zij de uitgekiende aërodynamica van hun wagens extra brandstof kunnen besparen. Ook voor de vooraanstaande vooraanstaande universiteiten onder de deelnemers is dit project gericht voor een groot deel gericht op de leerervaringen van de studenten. Maar de ontwikkelingen worden ook meegenomen in andere onderzoeken.
“We bieden jongeren hier een platform om rond duurzame mobiliteit te experimenteren,” zegt coördinator Elcke Vercruysse. “Het stimuleert de volgende generatie technici en wetenschappers om na te denken over nieuwe energievormen en over zuiniger gebruik van de huidige bronnen.” De zuinigste wagen reed hier twee jaar geleden mee, een realisatie van de ETH Zürich, het instituut waar ooit Albert Einstein zijn diploma behaalde. Mits extrapolatie van het verbruik en de gereden afstand zou deze wagen met 1 liter brandstof 3.836 kilometer kunnen rijden.
KM
Ook ABVV hecht belang aan milieu

(Foto: Michaël Laurent,
Indymedia.be)
In de 1 mei-toespraken van de socialistische vakbond kregen ecologische thema’s dit jaar opvallend veel aandacht. ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw stelde in Leuven “dat een slim en solidair klimaatplan kansen biedt voor meer banen en minder broeikasgassen”. “Door onze gebouwen degelijk te isoleren en alternatieve energieën te ontwikkelen kunnen we de energierekening van gezinnen verlagen en dus hun koopkracht verhogen, banen creeëren en de uitstoot van broeikasgassen verminderen. Ontwikkeling van alternatieve energiebronnen zal pas echte kansen krijgen als er duidelijke keuzes worden gemaakt. Cruciaal hierbij is de visie over kernenergie. De uitstap uit kernenergie mag niet in vraag worden gesteld”, aldus De Leeuw.
Isolatie, zonne-energie en alternatieve energie moeten volgens de vakbond echter wel haalbaar zijn voor iedere beurs. Daags voordien in Lommel wees De Leeuw er in dit verband op “dat dergelijke investeringen voor mensen met een laag inkomen problematisch zijn”. “Ze wonen vaak in de slechtste en oudste woningen, besteden een groot deel van hun inkomen aan energie en hebben dus niet veel geld meer over om iets te wijzigen aan die situatie”. De overheid moet volgens de vakbond haar steunmaatregelen voor energiebesparende maatregelen in het licht hiervan bijsturen. Een rechtvaardig beleid impliceert immers dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen.
Om meer aandacht te krijgen in ondernemingen voor energiethema’s wil De Leeuw dat de bevoegdheden van de ondernemingsraden uitgebreid worden tot energiezaken. Bedrijven verstrekken momenteel immers slechts beperkte informatie over het interne energiebeleid. Daarom wil het ABVV dat de wettelijke opdrachten van ondernemingsraden uitgebreid worden tot energiezaken. Wat mobiliteit betreft pleit het ABVV voor de bevordering van het collectief gratis woon-werkverkeer, de ontsluiting van industriezones door openbaar vervoer, bedrijfsvervoerplannen enzovoort.
L.V.
ARGUS brengt voortaan dagelijks nieuws uit binnen- en buitenland