Driejarige onderzoeksmissie op zee (2)

karsenti

Eric Karsenti (Foto: Koen Mortelmans)

Op zijn driejarige tocht over de wereldzeeën zal het het Europese onderzoeksschip Tara vooral onderzoek doen naar plankton. “Sommige planktonsoorten zijn onzichtbaar voor het menselijk oog, maar ze vormen de basis van de oceanische ecosystemen. En de kleine organismen zijn zo talrijk dat ze door hun aantal het klimaat beïnvloeden, net zoals de zes miljard mensen dit doen,” zegt co-directeur Eric Karsenti (Tara Oceans). Ondanks hun ecologisch belang en hun diversiteit zijn heel wat planktonsoorten nog vrij onbekend. De huidige kennis betreft – dank zij satellietonderzoek – vooral soorten die vlakbij de oppervlakte van het water voorkomen. Over dieper levende organismen is de wetenschappelijke kennis in verhouding klein.

De Tara tracht de spreiding van talrijke organismen op verschillende diepten in kaart te brengen, van virussen en bacteriën tot vislarven. Het onderzoek betreft ook de verzuring van het water en de gevolgen hiervan voor de koraalriffen. De bevindingen worden niet alleen ondergebracht in databestanden en kaarten, maar ook gepubliceerd als 3D-tekeningen van de onderzochte organismen. De sondes, die de varende onderzoekers gebruiken, kunnen tot op een diepte van 3.000 m stalen nemen. Naargelang het gebruikte filtermateriaal kunnen ze organismen met een bepaalde omvang selecteren. Heel wat kleine mariene organismen nemen CO2 op en geven zuurstof af. Het Tara-onderzoek kan de kennis over eencellige organismen flink vergroten. Momenteel zijn er minder dan 100.000 soorten beschreven, maar wetenschappelijk coördinator Colomban de Vargas schat dat hun aantal 1.000 tot 100.000 keer groter kan zijn.

De tijdens de Tara-expeditie verzamelde gegevens zijn niet het exclusieve domein van een select groepje onderzoekers, maar zullen ter beschikking gesteld worden van de hele wetenschappelijke wereld. De initiatiefnemers zien niet alleen de Beaglereis van Charles Darwin als hun grote voorbeeld, maar ook de Challengerexpeditie (1872-1876) en de reizen van de Fram, het schip van de Noorse ontdekkingsreiziger Fridtjof Nansen.
K.M.

Driejarige onderzoeksmissie op zee

Tara met volle zeilen (Foto: F. Latreille)

Tara met volle zeilen (Foto: F. Latreille)

Na een tussenstop in Barcelona is het Europese onderzoeksschip Tara vertrokken op zijn driejarige missie over de wereldzeeën. Tijdens die periode zal de veertienkoppige bemanning 150.000 kilometer afleggen en onderzoek uitvoeren naar mariene ecosystemen. De onderzoeken betreffen vooral plankton en andere micro-organismen. De Tara, die al een Arctische expeditie (2006-2008) achter de rug heeft, zal deze keer zowat zestig keer aanleggen in vijftig verschillende landen. Na het doorkruisen van de Middellandse Zee zet het schip via het Suezkanaal koers naar de Indische Oceaan om dan via Kaap de Goede Hoop de Atlantische Oceaan te bereiken. Via Antarctica en de Galapagos-Eilanden – een eerbetoon aan Darwin? – gaat het naar Australië, China en Japan. Het wordt geen reis rond de wereld, want het onderzoeksschip keert in de nazomer van 2012 naar Europa terug langs de ‘noordwestelijke’’ doorvaart, ten noorden van Alaska en Canada. Voor de wetenschappelijke ruggengraat staan meer dan vijftig laboratoria uit vijftien landen in. Een van de vastelandmedewerkers is Jeroen Raes van de Vrije Universiteit Brussel.

De Tara is een aluminium zeilschip van 120 ton met een lengte van 36 m. De Europese Unie is steunt het project in communicatie. Maar het nodige geld is toch vooral afkomstig uit de privésector, onder meer van Electricité de France en Veolia. Het schip zelf wordt ter beschikking gesteld door de Franse modeontwerpster Agnès Troublé, alias agnès b. “De expeditie kost ongeveer 3 miljoen euro per jaar,” zegt co-directeur Eric Karsenti (Tara Oceans). De kostprijs van de verdere analyse van de ingezamelde gegevens is daarbij niet inbegrepen.” Een aantal gegevens zou ook ingezameld kunnen worden door het uitrusten van vrachtschepen met allerlei apparatuur. Die aanpak biedt andere mogelijkheden dan werken met één schip, dat niet op een vaste lijn vaart. “Maar het Tara-project gaat niet alleen om het verzamelen van wetenschappelijke data,” repliceren de organisatoren. “Het is ook een sensibiliseringsproject en een platform voor diverse onderzoekprojecten op lange termijn.”
K.M.

Meer info: http://ec.europa.eu/research/transport/news/article_9686_en.html en http://oceans.taraexpeditions.org/

Zorgen om medicijnenresten in het water

Waterzuiveringsinstallatie (Foto: Aquafin)

Waterzuiveringsinstallatie (Foto: Aquafin)

Twee drinkwaterbedrijven en drie waterschappen die actief zijn in de Nederlandse provincie Utrecht gaan het komende half jaar een onderzoek instellen naar de aanwezigheid van medicijnen in het afval- en oppervlaktewater in deze regio. Aanleiding is het feit dat er in het Utrechtse afvalwater steeds meer medicijnresten worden aangetroffen. Rioolwaterzuiveringsinstallaties zijn bovendien niet uitgerust om stoffen uit medicijnen uit het afvalwater te filteren. Dergelijke technieken zijn ook erg duur. In het drinkwater zouden wegens de zeer strenge eisen geen medicijnresten voorkomen.

Het onderzoek moet in kaart brengen waar en hoe de medicijnresten in het water worden achtergelaten. De resultaten hiervan moeten een aanpak van het probleem bij de bron mogelijk maken. Ook moet blijken welk effect deze medicijnresten hebben op het milieu. In totaal gebruiken Nederlanders ongeveer 12.000 verschillende medicijnen, waarin 850 verschillende actieve stoffen zitten. Resten daarvan belanden onder meer via de urine in het rioolwater. Het is de eerste keer dat het probleem in Nederland op grote schaal in kaart wordt gebracht. De resultaten worden verwacht in het voorjaar van 2010.
L.V.

Aralmeer krimpt

aral_sea_2006-2009_lHet Aralmeer verdwijnt (Foto: Envisat op 1 juli 2006 en 6 juli 2009, ESA)

Er zijn maar weinig door de mens ontketende ecologische rampen zo sprekend als het tragische verhaal van het Aralmeer. Beelden genomen door de Envisat satelliet van ESA tonen duidelijk de dramatische terugval van het Aralmeer tussen 2006 en 2009 aan. Ooit was het Aralmeer de vierdegrootste binnenlandse watermassa ter wereld. Maar doordat de rivieren die het meer voedden, stelselmatig werden afgeleid voor irrigatieprojecten, bv. voor de katoenteelt, is het Aralmeer de voorbije 50 jaar steeds verder opgedroogd.

Tegen het eind van de jaren-tachtig was het meer in twee stukken ‘uit elkaar gevallen’ met in het Noorden het Kleine Aralmeer ter hoogte van Kazachstan en het Grote Aralmeer, in de vorm van een hoefijzer gelegen op het grondgebied van Kazachstan en Oesbekistan.

In 2000 viel ook het Grote Aralmeer in een oostelijk en westelijk gedeelte uiteen. Envisat bracht in kaart hoe tussen 2006 en 2009 het oostelijke stuk gevoelig is gekrompen. Sinds 2006 zou dit stuk al zowat 80% minder water hebben.
Experten verwachten dat hele zuidelijke gedeelte van het meer tegen 2020 volledig zal zijn uitgedroogd. Maar er worden wel inspanningen ondernomen om het noordelijke deel te redden.

Zo werd tussen het noordelijke en zuidelijke gedeelte van het Aralmeer de Kok-Aral dijk gebouwd, een gezamenlijk project van de Wereldbank en de Kazachstaanse regering. Deze dijk moet voorkomen dat er nog water naar het zuidelijke gedeelte van het meer stroomt. Sinds de dijk is voltooid in 2005 is het waterniveau van het noordelijke gedeelte inderdaad gemiddeld zo’n 4 meter gestegen.

In 2007 bekwam de Kazachstaanse regering een nieuwe lening van de Wereldbank om met de bouw van een nieuwe dam, een tweede grote fase in te zetten in de strijd tegen de opdroging van het Aralmeer.

Naarmate het Aralmeer verdampte bleef er een 40000 vierkante kilometer grote doge witte zoutvlakte achter, de Aral Karakum Woestijn. Ieder jaar schuren geweldige zandstormen over de Aral karakum. Daarbij wordt jaarlijks minstens 150000 ton zout en zand opgeblazen en honderden kilometers ver getransporteerd. Het stof dat op deze manier wordt opgewaaid is in vele gevallen een bijzonder gevaarlijk goedje. Wat er vroeger immers nog aan water in het meer toekwam was vaak zwaar vervuild met pesticiden, zware metalen en andere giftige stoffen. Die stoffen bleven in de bodem zitten en komen, nu het water weg is, weer aan de oppervlakte. De situatie is zo erg dat men soms spreekt zelfs spreekt van chemische stormen. Niet verwonderlijk dus dat de zandstormen ernstige gezondheidsproblemen bij de lokale bevolking veroorzaken. Bovendien zorgt de verwoestijning van het gebied voor een zeer ongunstige klimaatomslag: winters worden kouder, de zomers heter. Om deze effecten te bestrijden probeert men nu op de oude meerbodem begroeiing aan te planten die is opgewassen tegen droge, zoute milieus.

Meer info: ESA

Vlaams gezin wil betalen voor schoon milieu

denderhermans(Foto: Paul Hermans, Wikipedia) De Vlaamse Instelling voor Technologische Onderzoek (VITO) werkte mee aan een Europese studie over de maatschappelijke en economische baten van een verbeterde kwaliteit van onze waterlopen (Aquamoney). Hiervoor ontwikkelde VITO een methode om in te schatten hoe de welvaart van mensen stijgt bij een verbetering van de kwaliteit van onze waterlopen. 700 Vlaamse gezinnen namen deel aan een keuze-experiment via het internet.

In de studie werd de Dender als voorbeeld genomen. De deelnemers kregen 6 keuzes voorgelegd, waarbij ze telkens moesten aangeven welke situatie hun voorkeur had en of hun gezin bereid was de bijbehorende stijging van de watertaksen te betalen om de gekozen situatie te bereiken.

Uit de antwoorden blijkt dat meer dan 90% van de bevraagden geld over heeft voor schone waterlopen. Als de resultaten van het onderzoek juist zijn, zo rekent VITO voor, dan zou een gemiddeld Vlaams gezin jaarlijks zo’n 50 tot 200 euro veil hebben voor een goede ecologische toestand van de waterlopen. Dit wil zeggen: een zeer goede chemische waterkwaliteit, maar ook groene oevers en een verscheidenheid aan waterplanten en -dieren. Het bedrag dat mensen willen betalen hangt sterk af van het gezinsinkomen, het feit of ze lid zijn van een milieuvereniging, of ze recreëren op of langs de rivier en de woonafstand tot de rivier.

Opmerkelijk is dat mensen vooral veel willen betalen voor een toename van verschillende plant- en diersoorten (de biodiversiteit) en in mindere mate voor groenere oevers en de waterkwaliteit zelf (minder geurhinder, minder schuim), hoewel de parameters in realiteit wel wat samenhangen. Dit resultaat ondersteunt de Europese regelgeving (Kaderrichtlijn Water) die zegt dat enkel focussen op chemische waterkwaliteit niet voldoende is.

Achtergrond: Kaderrichtlijn Water
De studie werd uitgevoerd in het licht van de Europese Kaderrichtlijn Water die beoogt dat tegen 2015 alle waterlopen in de EU een goede ecologische status hebben. Dit wil zeggen dat ze niet alleen een goede chemische waterkwaliteit moeten hebben, maar ook een goede biologische kwaliteit (planten en dieren) en een goede waterhuishouding (vermijden van droogte en overstroming). Om dit te realiseren moeten de lidstaten maatregelenpakketten samenstellen.

Verschillende partijen zullen inspanningen moeten leveren voor het uitvoeren van deze maatregelen. De Kaderrichtlijn Water stelt dat dit op een kostenefficiënte manier gebeurt en dat de inspanningen wel moeten opwegen tegen de opbrengsten. Omdat heel veel van de diensten die door waterlopen worden geleverd zoals een aangename omgeving, vasthouden van water enz. niet op een markt te koop zijn, is het niet eenvoudig in geld uit te drukken wat een verbetering van de kwaliteit van onze waterlopen de maatschappij oplevert.

Milieu-economen hebben verschillende methoden om de waarde van deze diensten in te schatten, waaronder keuze-experimenten. Hierbij moeten mensen een reeks van keuzes maken tussen verschillende situaties met betrekking tot milieukwaliteit waartegenover telkens ook andere geldbedragen staan. Zo simuleer je een kader vergelijkbaar met het kiezen tussen twee soorten brood bij de bakker. Op basis van de keuzes van mensen kan je dan hun voorkeuren afleiden met betrekking tot milieukwaliteit. De resultaten en de geleerde lessen uit de VITO-studie over de Dender en de tien gevalstudies in andere Europese landen zullen de beleidsmakers helpen op een wetenschappelijk onderbouwde wijze keuzes te maken bij het integraal waterbeleid.

Deze studie kadert in ruimer onderzoek binnen VITO naar de kosten en baten van een verbetering van de leefomgeving van de Vlaming.

Bio-energie aanslag op watervoorraad

jatropha_in_paraguay_chacoJatrophaplantage in Paraguay (Foto: Wikipedia.org)
De discussie over biobrandstoffen en de teelt van energiegewassen was tot nog toe vooral ethisch van aard: is het wel verantwoord dat voedselgewassen worden gebruikt als brandstof? Volgens onderzoekers van de Universiteit Twente zou de discussie echter fundamenteler moeten worden gevoerd. Hou je bijvoorbeeld ook rekening met hoeveel water er nodig is voor de teelt van energiegewassen dan gaat het debat dus ook over het optimaal beheer van schaarse grondstoffen. Water dat gebruikt wordt voor de kweek van energiegewassen is immers niet meer beschikbaar als drinkwater en kan niet meer dienen om natuurlijke ecosystemen in stand te houden. Het maakt dan nog weinig uit of het daarbij gaat over een voedselgewas zoals maïs, dan wel over oneetbaar plantaardig materiaal zoals jatropha. De watervoetafdruk, zoals die werd ontwikkeld door Prof. Arjen Hoekstra, een van de auteurs van het artikel, blijkt in deze discussie een zeer handig instrument.
De ‘watervoetafdruk’ van de bio-energie, dit is de hoeveelheid water (via regenwater of irrigatie) nodig om de energiegewassen te kweken, is veel groter dan de watervoetafdruk van andere energiebronnen. Dat is nogal logisch, aangezien alle levend materiaal nu eenmaal veel water bevat. Het ene energiegewas is echter het andere niet, concluderen de Nederlandse onderzoekers. Het opwekken van elektriciteit uit biomassa is bijvoorbeeld dubbel zo waterefficiënt als de productie van biobrandstof zoals biodiesel of bio-ethanol. De wetenschappers berekenden de watervoetafdruk van dertien verschillende teelten en vergeleken die met elkaar. Ze legden daarbij ook de link met regionale klimatologische invloeden. Dat levert nuttige inzichten op. Bijvoorbeeld kunnen zo optimale productieregio’s voor elke teelt in kaart worden gebracht. In regio’s waar water schaars is, kan je zo makkelijker voorzien waar de teelt van energiegewassen in concurrentie zal treden met de voedselproductie.
Het voorbeeld van biodiesel uit koolzaad, soja of jatropha maakt veel duidelijk. Om één liter biodiesel uit koolzaad of soja te produceren is er ongeveer 14000 liter water nodig. Maar de watervoetafdruk van koolzaad is in West-Europa veel kleiner dan in Azië. Voor soja heeft Indië een grote watervoetafdruk, terwijl de cijfers voor landen als Italië en Paraguay op dat vlak gunstiger liggen. Jatropha, dat steeds meer wordt gebruikt in de biomassaproductie en omdat het oneetbaar is, ogenschijnlijk minder problemen stelt dan pakweg soja of maïs, heeft een nog slechtere watervoetafdruk. Hier is gemiddeld maar liefst 20000 liter water nodig voor de productie van 1 liter biodiesel.

Bioelektriciteitsopwekking komt in vergelijking met de biobrandstoffenteelt veel positiever uit de rekenoefening naar voren. Dat is ook logisch, in de biobrandstoffenproductie wordt maar een deel van de plant (suikers, zetmeel, olie uit de zaden) gebruikt, terwijl bij elektriciteitsopwekking de ganse plant wordt benut.
In de zgn. biobrandstoffen van de nieuwe generatie wordt dat verschil kleiner. Daarbij kan bijvoorbeeld ook ethanol worden gemaakt van de bladeren en stengels van de planten. Dat zal dan ook de watervoetafdruk verkleinen. Binnen de bioelektriciteitsproductie is suikerbiet wat betreft watervoetafdruk de favoriet. Jatropha is bijvoorbeeld 10 keer minder waterefficiënt dan suikerbiet. Ook voor de productie van bio-ethanol is suikerbiet veruit de betere. Om uit suikerbieten 1 liter bio-ethanol te produceren zijn 1400 liter water nodig, terwijl dat voor suikerriet, vooral geteeld in Brazilië, 2500 liter is.
De resultaten van dit onderzoek werden begin juni 2009 gepubliceerd in het vaktijdschrift Proceedings of the National Academy of Sciences (PNAS).

Meer info: Hoekstra, A.Y. (2009) Human appropriation of natural capital: A comparison of ecological footprint and water footprint analysis, Ecological Economics 68(7): 1963-1974.[Download]

Laatste grote RWZI

InhuldigingTervuren.jpg(v.l.n.r. Burgemeester Bruno Eulaerts, Minister Hilde Crevits en gedelegeerd bestuurder Aquafin Luc Bossyns, copyright Aquafin NV)

Vlaams Milieuminister Hilde Crevits heeft woensdag in Vossem (Tervuren) de laatste grote rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) opgestart die Vlaanderen nodig had om te voldoen aan de EU Richtlijn Stedelijk Afvalwater. Deze verplicht afvalwatersanering voor alle agglomeraties groter dan 10.000 inwoners. Vlaanderen moest hieraan al in 1998 voldoen, maar omdat niet gebeurde kwam er in 2004 een veroordeling door het Hof van Justitie.

Het RWZI zal op termijn het afvalwater zuiveren van 17.000 inwoners uit Tervuren, Duisburg en Vossem. Momenteel is dat al het geval voor 14.500 mensen. In april zal ook het afvalwater uit Duisburg in het RZWI terechtkomen waarmee de installatie haar maximale capaciteit zal bereiken. Aquafin ging al in 1992 van start met de voorbereiding van het project maar omwonenden slaagden er via gerechtelijke procedures keer op keer in om toegekende vergunningen te doen vernietigen.

Crevits kondigde aan in 2009 25 miljoen euro meer subsidies te zullen toekennen voor de aanleg van gemeentelijke rioleringen, hetgeen het totaal op 120 miljoen euro brengt. Voor de aanleg en optimalisatie van gewestelijke infrastructuur krijgt Aquafin jaarlijks 150 miljoen euro. In december stemde de Vlaamse regering in om Aquafin 100 miljoen euro extra te geven voor de overname van projecten van gemeenten. “Nooit eerder was het bedrag voor waterzuivering zo hoog”, aldus Crevits. De Kaderrichtlijn Water legt Vlaanderen tegen 2015 normen op voor de waterkwaliteit van alle waterlopen.

Luc Bossyns, gedelegeerd bestuurder van Aquafin, meldde dat zijn organisatie zich wat de gewestelijke infrastructuur betreft momenteel concentreert op de zogenaamde ERSA-P bis-projecten, de installaties voor agglomeraties tussen 2.000 en 10.000 inwoners. “In totaal gaat het over een 15-tal RWZI’s waarvan er al twee klaar zijn, namelijk Merchtem en Oosterzele. Acht andere zijn momenteel in uitvoering, RWZI Roosbeek zit in de gunningsfase en de overige vijf zitten nog in de voorontwerp- en of ontwerpfase”, aldus Bossyns.

De RWZI in Vossem, die 16 februari operationeel is, betekent ook dat Leuven gevrijwaard wordt van een zware vervuilingslast. Het water liep tot dusver ongezuiverd de Voer in die stroomafwaarts door Leuven stroomt. Ook in Bertem worden rioleringswerken uitgevoerd waardoor over enkele jaren het afvalwater van nog eens 6.000 inwoners niet langer in de Voer zal stromen maar aangesloten kan worden op de zuiveringsinstallatie van Leuven. Al deze maatregelen maken het mogelijk dat de Voer over enkele jaren in de Kapucijnenvoer in Leuven in een open bedding zal kunnen aangelegd worden.
LV

Meer dan 54.000 gebouwen krijgen IBA

IBA.jpgWaterzuiveringsinstallatie voor particulier gebruik, foto: Segorex)

Eind 2008 was al voor 297 van de 308 Vlaamse gemeenten het zoneringsplan goedgekeurd dat de zones vaststelt waar het afvalwater van woningen zal gezuiverd worden met een individuele zuiveringsinstallatie (IBA). In totaal gaat het om 54.291 gebouwen. Exacte cijfers over hoeveel IBA’s er tot dusver al geplaatst werden zijn er niet. Dat blijkt uit het antwoord van Milieuminister Hilde Crevits op een schriftelijke vraag van Carl Decaluwe (CD&V).

“Op niveau van Vlaanderen zijn de helft van deze 54.291 gebouwen woningen. In 25 procent van de gevallen gaat het om hoeves, 17 procent zijn vakantiewoningen en 8 procent betreft andere gebouwen”, aldus Crevits. Voor de 11 resterende gemeenten is de procedure voor goedkeuring van het zoneringsplan nog lopende en is de definitieve vaststelling voorzien voor het eerste kwartaal van 2009.

Tot 1 januari 2008 konden particulieren subsidies bekomen van het Vlaamse Gewest mits het ondertekenen door de gemeenten van de overeenkomst “milieu als opstap naar duurzame ontwikkeling”. Ook het de Vlaamse Landmaatschappij verleent in een aantal specifieke gevallen subsidie. Via deze twee pistes werden in de periode 2003-2008 4.988 IBA-subsidie-aanvragen ingediend. Sinds 15 juni 2008 is een nieuwe regeling van kracht. In het kader daarvan werd tot nog toe slechts één subsidieaanvraag ingediend voor 25 IBA’s. Er werden volgens Crevits ook niet gesubsidieerde IBA’s geplaatst.
L.V.

Overstroming of niet?

DijleZenne.jpg (Foto: Vlaamse Overheid, Departement Mobiliteit en Openbare Werken, Waterbouwkundig Laboratorium, Hydrologisch Informatiecentrum - HIC)

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) heeft maandag 20/10 in Leuven de kersverse gedetailleerde overstromingsvoorspeller voor het Dijle- en Zennebekken voorgesteld. Vlaams Milieuminister Hilde Crevits maakte bekend dat de VMM tegen 2010 een dergelijk systeem wil ontwikkelen voor alle grote onbevaarbare waterlopen. Dat is vijf jaar vroeger dan de Europese overstromingsrichtlijn vooropstelt.

Vorig jaar nam de VMM al haar vereenvoudigde overstromingsvoorspeller voor gans Vlaanderen in gebruik. Via overstromingsvoorspeller.be kan iedereen sindsdien de voorspelde waterstanden langs onbevaarbare waterlopen raadplegen. In perioden van wateroverlast wordt die info aangevuld met interpretaties van hydrologen en met terreinwaarnemingen. Op één jaar tijd werd de site al meer dan 1 miljoen keer bezocht. Bij dreigende overstromingen zijn er pieken tot 50.000 bezoekers per dag.

Gedetailleerde overspellers waren er al voor het Demer- en Denderbekken. Vanaf heden bestaat het systeem ook voor het Dijle- en Zennebekken en kan voorspeld worden of er bijvoorbeeld bebouwde zones bedreigd zijn door wateroverlast of niet. De Vlaamse overheid investeerde 1 miljoen euro in dit project dat tevens het sluitstuk vormt voor de bescherming van Leuven. Eerder werden stroomopwaarts de Dijle al natuurlijke overstromingsgebieden in ere hersteld en in Egenhoven een gecontroleerd waterbekken aangelegd.

Crevits kondigde voorts nog aan dat de VMM voor alle waterlopen waarvan ze de wettelijke beheerder is tegen 2015 – dit is de door de Europese overstromingsrichtlijn gestelde einddatum - klaar zijn zal zijn met de overstromingsrisicobeheerplannen. “Zo’n plan bevat onder andere risicokaarten die een beeld geven van de kansen op overstroming als de potentieel negatieve gevolgen hiervan. Tevens worden hierbij scenario’s en alternatieven onderzocht om de bescherming tegen overstromingen te optimaliseren”, aldus de minister.

Tegelijk met de lancering van de nieuwe overstromingsvoorspeller werd in Leuven het “centraal besturingsgebouw” ingehuldigd dat het personeel betrokken bij dit initiatief huisvest en tevens dienst zal doen als crisiscentrum in geval van hoogwaterstanden. Het werd niet toevallig opgetrokken vlak naast de Leuvense brandweerkazerne. Dat doet immers dienst als provinciaal crisiscentrum. Op die manier wordt de informatie-uitwisseling tussen beide diensten geoptimaliseerd.
L.V.

Biofermentor

biofermentor.jpg

Foto: Biofermentor

Donderdag 27 augustus zijn bij chocolademaker Kim’s Chocolates in Tienen in aanwezigheid van Vlaams minister van economie Patricia Ceysens de resultaten voorgesteld van een proef met de biofermentor, een nieuwsoortig waterzuiveringsysteem op basis van kokos dat organische biologische resten uit het afvalwater recupereert en bruikbaar maakt voor de plantenteelt. De biofermentor werd ontwikkeld door het bedrijf Kwanten & co uit Zonhoven.

Het systeem bestaat uit een metalen container, gevuld met verschillende fracties kokos in lagen waarin het afvalwater gezuiverd wordt. Het eindproduct is verrijkte kokos, een evenwichtig, organisch plantenvoedsel dat bijvoorbeeld als bodemverbeteraar gebruikt kan worden. Door de installatie voldoet Kim’s Chocolates aan de lozingsnormen. Het bedrijf bespaart na aftrek van de kosten voor de installaties 14.712 euro per jaar op milieuheffingen.

“Deze innovatieve en geïntegreerde manier van verwerken van organische reststromen zal voor veel voedingsbedrijven een oplossing betekenen. Gezonde, waardevolle organische reststromen die nu in de algemene afvalstromen verloren gaan en veel saneringskosten vragen worden via de biofermentor terug in de natuurlijke koolstofketen gebracht”, aldus Lieven Dehandschutter van VOKA-Kamer van Koophandel Leuven, die het proefproject mee opzette.
LV

Extra water voor Dode Zee

Dead_sea_newspaper.jpg
Het zoutgehalte in de Dode Zee is zo hoog dat je er moeiteloos blijft drijven. Zwemmen is uitgesloten, want een spatje water in je oog kan erg pijnlijk zijn.
Foto: Wikipedia

Het Belgische Tractebel, het Nederlandse KEMA en het Franse Coyne et Bellier onderzoeken in opdracht van de Wereldbank hoe de Dode Zee op een duurzame manier kan worden bijgevuld met water uit de Rode Zee. Deze technische haalbaarheidsstudie moet in de lente van 2010 rond zijn.

Omdat het zoutmeer in hoog tempo opdroogt, willen Israël, Jordanië en de Palestijnse gebieden met internationale organisaties als de Wereldbank samenwerken om er water uit de Rode Zee naar toe te pompen. Door pijpleidingen moet dit water een afstand van 180 km afleggen. Sinds 1950 is het waterpeil van de Dode Zee gezakt van 393 tot 420 meter onder zeeniveau. Momenteel bedraagt de daling ongeveer een meter per jaar. Tegen dit tempo ligt ze in 2050 waarschijnlijk droog.

Voor het watertransport is veel energie nodig. De studie betreft dan ook de mogelijke toepasbaarheid van onder meer zonne-, water- en windenergie om het water te transporteren. Ze bekijkt tevens nieuwe technieken, zoals het gebruik van algen als waterzuiveraar en energiebron en de captatie van het CO2 van de gebruikte fossiele energiebronnen.

Omdat ook het grondwaterpeil in de omgeving daalt, onderzoeken de energiespecialisten ook de bouw van een grote ontziltingsinstallatie om het zeewater drinkbaar te maken. Die zal eveneens veel energie nodig hebben. De geplande ontziltingsinstallatie zou tien keer groter worden dan de grootste die momenteel in gebruik is. Daarnaast moet het drinkwater ook nog omhoog gepompt worden naar hooggelegen plaatsen zoals de Jordaanse hoofdstad Amman. De onderzoekers bekijken hiervoor de mogelijkheden tot energieopwekking door middel van waterkracht en door gebruik te maken van het grote verschil in zoutconcentratie tussen de beide zeeën.
K.M.

Meer overschrijding nitraatnorm in Vlaams-Brabant

ProvMira2007.jpg 

Het percentage meetplaatsen in Vlaams-Brabant waar de nitraatnorm werd overschreden in het oppervlaktewater is in de periode juli 2006-juni 2007 gestegen van 22,4 tot 25,9. Dat blijkt uit het provinciale milieu- en natuurrapport 2007. De toename heeft niet enkel te maken met bemesten, maar ook met het weer of samenstelling van bronwater. In Vlaanderen was er een overschrijding in 42,2 procent der meetpunten (42 procent een jaar voordien).
De algemene kwaliteit van het oppervlaktewater kende in 2006 een lichte terugval. In 2006 had slechts 13,5 procent van de meetplaatsen een “Belgische Biotische Index” groter dan 7. De doelstelling om in 2007 in 40 procent van de meetplaatsen een goede kwaliteit te halen zal zeker niet gehaald worden. De lagere zuiveringsgraad in de provincie (44,3 procent) eind 2007 is hiervoor verantwoordelijk.

Ook in het grondwater wordt de nitraatnorm in meer dan de helft van de bemonsterde putten overschreden. “In vergelijking met Vlaanderen is dit veel, zeker gezien de mestdruk in onze provincie een pak lager ligt”, aldus de auteurs van de studie. Het hoge cijfer heeft wellicht te maken met de kwetsbaarheid van de ondergrondse lagen waardoor nitraten relatief snel in het grondwater terechtkomen.
LV

Aanspraken op Noordpool

IlulissatIcefjord.jpg 

(foto: Ilulissat IJsfjord door ZGrounds en Destination Disko)

De vijf staten die aan de Noordpool grenzen - VS, Canada, Noorwegen, Rusland en Denemarken - hebben na een tweedaags beraad in Ilulissat (Groenland) aan de Verenigde Naties gevraagd een oplossing te zoeken voor het probleem van de territoriale aanspraken op dit gebied. Door de klimaatopwarming en het smeltend ijs zullen er de komende decennia enorme hoeveelheden natuurlijke grondstoffen - vooral olie en gas - toegankelijk worden voor exploitatie. De vijf landen claimen delen van de Noordpool. Meest opvallend was de vlag die Russische onderzoekers afgelopen zomer een kilometer onder het poolijs plantten.

Bedoeling van de top in Illulissat was in de eerste plaats om te vermijden dat er een wedloop zou ontstaan naar de bodemrijkdommen van het Arctisch gebied. De Russische actie lokte afgelopen zomer heelwat negatieve reacties uit, onder meer van Canada. De Amerikaanse Geological Survey, een federaal overheidsinstituut, schat evenwel dat de Arctische oceaan ongeveer een kwart van de nog onontdekte olie- en gasvoorraden bevat. Door de opwarming zou bovendien over enkele decennia de Northwestern Passage deels ijsvrij worden waardoor schepen die van Europa naar Azië op weg zijn ruim 4.000 kilometer kunnen uitsparen.

De vijf landen hadden tijdens hun tweedaagse bijeenkomst in Groenland gelukkig niet alleen oog voor de economische belangen, maar ook voor de ecologische problemen die in het Noordpoolgebied dreigen als gevolg van de opwarming van de aarde. In de slotverklaring wordt gesteld dat de landen maatregelen zullen nemen, overeenkomstig de internationale en nationale wetgeving, “voor de bescherming en vrijwaring van het fragiele mariene milieu in de Noordelijke IJszee”.

L.V.

RWZI Vossem sluitstuk EU-richtlijn grote agglomeraties

Luc_Bossyns.jpg

(foto:Luc Bossyns, Aquafin)

Met de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie in Vossem (Tervuren) zal Vlaanderen binnenkort eindelijk beantwoorden aan de EU-Richtlijn Stedelijk Afvalwater dat afvalwatersanering verplichtte voor alle agglomeraties groter dan 10.000 inwoners. Dat heeft Luc Bossyns, gedelegeerd bestuurder van Aquafin, woensdag in Tervuren bekendgemaakt naar aanleiding van de start van de membraaminstallatie van deze RWZI.

De sanering van deze grote agglomeraties had al in 1998 een feit moeten zijn. Ons land werd hiervoor in 2004 dan ook veroordeeld door het Europees Hof van Justitie. “Het Vlaamse Gewest heeft toen kort op de bal gespeeld en de projecten die het meest dringend waren voor het halen van de richtlijn als prioritair gedefineerd. Het ging toen nog om 7 zuiveringsprojecten waarvan de laatste hier in Vossem nu in aanbouw is”, aldus Bossyns.

Het RWZI in Vossem zal het afvalwater van 17.000 mensen uit Tervuren, Duisburg en Vossem zuiveren. Aquafin ging al in 1992 van start met de voorbereiding van het project maar omwonenden slaagden er via gerechtelijke procedures diverse keren in om toegekende vergunningen te doen vernietigen. Ook nu loopt er nog steeds een procedure bij de raad van state. De bouw van het RWZI ging in januari van start. Via een versnelde uitvoeringstermijn zal de bouw 405 kalenderdagen vergen.

Vlaams Milieuminister Hilde Crevits stelde dat “succesvolle sanering van de agglomeraties nu moet worden overgedaan voor de agglomeraties tussen de 2000 en 10.000 inwoners”. Aquafin concentreert zich hierbij op de ERSA-Pbis-projecten die de Vlaamse regering aanduidde. De minister kan nu ook starten met de goedkeuring van gemeentelijke zoneringsplannen vermits de Vlaamse regering het reglementair kader zopas goedkeurde. Deze plannen geven aan welke woningen in het buitengebied via riolen worden aangesloten op collectieve zuivering en welke individueel gezuiverd moeten worden.

Crevits kondigde aan dat de Vlaamse regering de subsidies voor de gemeentelijke rioleringsprojecten verhoogt van 67 miljoen in 2007, tot 92 miljoen in 2008 en vanaf 2009 120 miljoen euro. In het kader van het lokaal pact neemt het Vlaams Gewest voor 700 miljoen euro investeringen over van de gemeenten. Crevits wil voorts het professioneel beheer van de 60.000 a 70.000 individuele zuiveringsinstallaties stimuleren zodat ze optimaal renderen. Ze voorziet een subsidie van 2.250 euro per zuiveringsinstallatie als de gemeente beslist deze individuele saneringsplicht over te nemen.

LV

Vlaanderen haalt EU-richtlijn loden aansluitingen waterleiding

HILDE_CREVITS.jpg

(Minister Hilde Crevits, foto: Paul De Cloedt)

Een EU-richtlijn om het loodgehalte in het drinkwater te verminderen verplicht de drinkwatermaatschappijen om tegen 2013 alle loden aftakkingen naar woningen te vervangen. In antwoord op een schriftelijke vraag van Mark Demesmaeker (N-VA) stelt Vlaams Milieuminister Hilde Crevits dat deze doelstelling wel degelijk zal gehaald worden. Eind 2007 moesten in Vlaanderen nog 137.800 loden aansluitingen worden vervangen.

In 2006 en 2007 werden ongeveer 30.800 stuks vervangen. De kostprijs voor een vervanging verschilt naargelang de maatschappij en de lokale omstandigheden. Het totale kostenplaatje voor deze twee jaren beliep 24,5 miljoen euro kostte. In totaal moeten er nog 137.800 worden vervangen, 50.039 in Oost-Vlaanderen, 34.334 in Antwerpen, 33.921 in West-Vlaanderen, 9.975 in Limburg en 9.512 in Vlaams-Brabant.

De drinkwatermaatschappijen hebben Crevits bevestigd dat de EU-doelstelling gehaald zal worden. “Tot nu toe werd het vervangen van loden aansluitingen meestal gecombineerd met andere werkzaamheden. De investeringen zullen de komende jaren echter opgedreven worden en niet enkel gecombineerd met andere werkzaamheden om tegen 2013 alle loden leidingen te kunnen vervangen”, aldus de minister.

Of de norm aan de kraan overal verzekerd worden hangt echter ook af van de loden binnenleidingen die nog aanwezig zijn bij particulieren. Die vervanging hangt af van de verantwoordelijkheid van de eigenaars. De drinkwatermaatschappijen adviseren hun klanten om deze te vervangen. “Omtrent knelpunten in publieke gebouwen zoals scholen, ziekenhuizen en dergelijke bestaat er daarnaast ook een algemene sensibilisering en opvolging door de Vlaamse overheid”, aldus Crevits.

LV

Volgende pagina →